Hoge Raad geeft algemene regels over vertegenwoordigingsbevoegdheid in bestuursprocesrecht

Hoge Raad geeft algemene regels over vertegenwoordigingsbevoegdheid in bestuursprocesrecht

Gegevens

Nummer
2026/614
Publicatiedatum
17 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:556
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024:1985) heeft het hoger beroep in deze zaak niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens het hof geen toereikende volmacht is overgelegd. De Hoge Raad grijpt de zaak aan om enige algemene overwegingen te geven over vertegenwoordigingsbevoegdheid in het bestuursprocesrecht. De Hoge Raad geeft daarbij de volgende regels:

  • de bestuursrechter kan van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen.

  • de bestuursrechter mag eisen stellen aan de machtiging.

  • de wijze waarop een rechter in een vorige instantie de machtigingsbevoegdheid heeft gebruikt vormt daarbij geen beperking.

  • de bestuursrechter mag vragen om een recente machtiging, die is gegeven na de bestreden uitspraak.

  • ook mag hij vragen om een machtiging die specifiek ziet op de procedure die zich afspeelt voor zijn gerecht.

  • voor het opvragen van een machtiging hoeft bij de rechter geen twijfel te bestaan over (het voortbestaan van) de vertegenwoordigingsbevoegdheid (daarmee komt de Hoge Raad terug van HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840, NTFR 2013/2040).

  • de bestuursrechter mag om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, binnen een door hem te stellen redelijke termijn om legitimatie van deze persoon vragen.

  • de bestuursrechter heeft geen motiveringsplicht bij het opvragen van een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever.

  • bij niet-nakoming van de verzoeken is sprake van een verzuim ex art. 6:6 Awb, dat tot niet-ontvankelijkverklaring kan leiden, mits verzuimherstel is geboden.

  • de gegeven regels gelden ook in bezwaar, hoger beroep en in cassatie.

Het cassatiemiddel van belanghebbende wordt verworpen door de Hoge Raad. Het hof was namelijk bevoegd om een nieuwe machtiging te vragen. Het oordeel van het hof dat het verzuim niet is hersteld met het overleggen van een machtiging die betrekking heeft op een WOZ-beschikking van een later jaar, acht de Hoge Raad cassatieproof.

(Cassatieberoep ongegrond.)

Deze samenvatting ziet ook op de arresten HR 17 april 2026, nr. 24/04264, ECLI:NL:HR:2026:674 en HR 17 april 2026, nr. 24/04267, ECLI:NL:HR:2026:676.