‘Villatax’ voor dure eigen woning niet in strijd met EVRM

‘Villatax’ voor dure eigen woning niet in strijd met EVRM

Gegevens

Nummer
2026/618
Publicatiedatum
21 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:8365
Rubriek
Eigenwoningregeling
Relevante informatie

Belanghebbende bezit in 2020 samen met zijn fiscaal partner een eigen woning met een WOZ-waarde van € 3.449.000. In zijn aangifte IB over 2020 is een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 6.042 opgenomen, waarbij het eigenwoningforfait is berekend met 0,60% tot € 1.090.000 en 2,35% over het meerdere. De aanslag is overeenkomstig de aangifte vastgesteld.

In geschil is of het verhoogde percentage van 2,35% voor het eigenwoningforfait, toegepast op het deel van de woningwaarde boven € 1.090.000, op regelniveau in strijd is met art. 1 EP EVRM in verbinding met art. 14 EVRM. De rechtbank overweegt dat het eigenwoningforfait is geregeld in art. 3.112 Wet IB 2001 en berust op het uitgangspunt dat de eigen woning als bron van inkomen geldt en bedoeld is om het woongenot te belasten. De wetgever heeft het hogere percentage gemotiveerd met het argument dat bij woningen boven een bepaalde waarde het beleggingsaspect een grotere rol speelt, wat een hogere forfaitaire bijtelling rechtvaardigt. De rechtbank toetst aan art. 1 EP EVRM en art. 14 EVRM en stelt dat belastingheffing een inmenging in het eigendomsrecht vormt, maar dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft met betrekking tot de middelen en hun geschiktheid om het met de heffing beoogde doel te behalen. De rechtbank acht het onderscheid tussen woningen boven en onder de grens van € 1.090.000 niet evident van redelijke grond ontbloot. De wetgever heeft belastingplichtigen met een woning onder en een woning onder het grensbedrag kennelijk als ongelijk beschouwd. De wetgever heeft de regeling voldoende gemotiveerd en budgettaire overwegingen mogen daarbij worden meegewogen. Dat belanghebbende in zijn geval geen beleggingsrendement heeft genoten, doet volgens de rechtbank niet af aan de rechtvaardiging van de regeling op regelniveau.

(Beroep ongegrond.)