Bezwaar van bewaarder tegen naheffingsaanslagen DB niet-ontvankelijk

Bezwaar van bewaarder tegen naheffingsaanslagen DB niet-ontvankelijk

Gegevens

Nummer
2026/620
Publicatiedatum
21 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:882
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende verleent als execution only broker en bewaarder diensten aan buitenlandse pensioenfondsen, waaronder het verkrijgen van aandelen en dividendrechten op instructie van deze fondsen. Bank X treedt op als sub-bewaarder en dient namens de pensioenfondsen teruggaafverzoeken dividendbelasting in, gebruikmakend van een bijzondere overeenkomst met de Belastingdienst. Tussen belanghebbende en Bank X bestaat een contract waarin belanghebbende zich verplicht de bank te vrijwaren voor iedere door de bank verschuldigde belasting. Nadat aan Bank X naheffingsaanslagen dividendbelasting zijn opgelegd en betaald, verstrekt belanghebbende de benodigde middelen aan Bank X. Belanghebbende maakt bezwaar tegen deze aanslagen, maar de inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de aanslagen niet aan belanghebbende zijn opgelegd. In geschil is of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaren tegen de aan Bank X opgelegde naheffingsaanslagen dividendbelasting.

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet bezwaar- en beroepsgerechtigd is ten aanzien van de naheffingsaanslagen. Volgens art. 26a AWR kan alleen degene aan wie de aanslag is opgelegd bezwaar maken. Dat is in dit geval de bank. Ook is niet voldaan aan de voorwaarde dat inkomens- of vermogensbestanddelen van belanghebbende zijn begrepen in de aanslagen, omdat het om dividenden van de pensioenfondsen gaat. De contractuele verplichting tot vrijwaring van de bank door belanghebbende geeft geen zelfstandig recht op het indienen van een rechtsmiddel. Het hof wijst het beroep op relevante jurisprudentie af, omdat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met de gevallen waarin derdenbescherming is toegekend, zoals de feitelijk parkeer bij parkeerbelasting. Verder verwerpt het hof de stellingen van belanghebbende over schending van het recht op toegang tot de rechter, het recht op een eerlijk proces, inbreuk op het eigendomsrecht en strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat belanghebbende zich civielrechtelijk kan verweren tegen de contractuele vrijwaring. Ook het beroep op schending van art. 8:42 Awb behoeft geen behandeling, omdat belanghebbende niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar.

(Hoger beroep ongegrond.)