Geen reisaftrek voor kosten autokilometers ondanks onduidelijke vraagstelling in aangifte

Geen reisaftrek voor kosten autokilometers ondanks onduidelijke vraagstelling in aangifte

Gegevens

Nummer
2026/621
Publicatiedatum
21 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:2745
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende is een werknemer die in 2022 het eerste deel met de auto en het tweede deel met de trein van zijn woonadres naar zijn werk in Rotterdam reist. Hij beschikt over een NS Businesscard en ontvangt een reiskostenvergoeding via zijn salaris, waarvan de hoogte onbekend is. In zijn aangifte IB/PVV 2022 heeft hij € 2.214 als reisaftrek opgegeven, zonder de ontvangen reiskostenvergoeding te vermelden. De inspecteur heeft de aanslag vastgesteld zonder reisaftrek voor het autodeel.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op reisaftrek voor het autodeel van zijn woon-werkverkeer.

Het beroep is vier dagen te laat ingediend, maar de rechtbank acht de termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege de ziekenhuisopname van de zoon van belanghebbende.

De rechtbank oordeelt dat op grond van art. 3.87 lid 1 Wet IB 2001 alleen de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand voor reisaftrek in aanmerking komt. De autokilometers vallen hier niet onder, zodat de inspecteur terecht geen aftrek heeft verleend voor dat deel van de reis. Belanghebbende doet een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt dat hij de ja/nee vragen in het aangifteprogramma juist heeft beantwoord, namelijk dat hij met het OV reisde, dat hij meer kosten maakte dan vergoed werden en dat hij een OV-verklaring heeft. De rechtbank erkent dat de vragen in het aangiftebiljet niet duidelijk weergeven wat de wet voorschrijft en dat belanghebbende deze naar beste weten heeft beantwoord. Toch acht de rechtbank dit geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, nu de inspecteur de aanslag conform de wet heeft vastgesteld.

(Beroep ongegrond.)