Geen btw-vrijstelling voor beheersdiensten aan CDC-pensioenfonds
Geen btw-vrijstelling voor beheersdiensten aan CDC-pensioenfonds
Gegevens
- Nummer
- 2026/622
- Publicatiedatum
- 21 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Omzetbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende, een nv, verricht beheersdiensten aan een pensioenfonds dat een collectieve beschikbare premieregeling (CDC-regeling) uitvoert. Het pensioenfonds kent jaarlijkse pensioenrechten toe op basis van het jaarinkomen en het aantal pensioenjaren, waarbij de premie vaststaat en de werkgever geen bijstortingsverplichting heeft bij tekorten. Toeslagen op pensioenaanspraken zijn afhankelijk van de financiële positie van het fonds en worden gefinancierd uit beleggingsrendement, maar de basispensioenaanspraken zijn niet direct afhankelijk van de beleggingsresultaten. Belanghebbende heeft omzetbelasting voldaan over de beheersdiensten en verzoekt om teruggaaf, stellende dat het pensioenfonds als gemeenschappelijk beleggingsfonds kwalificeert in de zin van art. 11 lid 1 letter i onder 3 Wet OB 1968, omdat de deelnemers het beleggingsrisico dragen.
In geschil is of het pensioenfonds als gemeenschappelijk beleggingsfonds kan worden aangemerkt, zodat de beheersdiensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting.
De rechtbank stelt vast dat voor toepassing van de vrijstelling vereist is dat de deelnemers het beleggingsrisico dragen, in de zin dat het bedrag van hun pensioenrechten in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten. De rechtbank overweegt dat de pensioenrechten in deze CDC-regeling worden vastgesteld op basis van het salaris en het aantal dienstjaren, en niet primair variëren door beleggingsresultaten. Hoewel toeslagen afhankelijk kunnen zijn van rendement, is niet aannemelijk gemaakt dat deze een zodanige invloed hebben dat het pensioen in de eerste plaats afhankelijk is van beleggingsresultaten. De wijze van financiering van de uitkeringen is volgens het BPL Pensioen-arrest van het HvJ (5 september 2024, zaak C-639/22, ECLI:EU:C:2024:688, ) niet doorslaggevend. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de deelnemers een beleggingsrisico dragen dat vergelijkbaar is met dat van deelnemers in een beleggingsfonds.
Ten aanzien van het neutraliteitsbeginsel overweegt de rechtbank dat de juridische en financiële positie van de deelnemers in deze CDC-regeling wezenlijk verschilt van die in een individuele DC-regeling, omdat bij laatstgenoemde het beleggingsrisico volledig bij de deelnemer ligt en de uiteindelijke uitkering niet vooraf is vastgesteld. Daarom is geen sprake van vergelijkbare regelingen en kan het pensioenfonds niet op grond van het neutraliteitsbeginsel worden gelijkgesteld met een fonds dat een DC-regeling uitvoert.
(Beroep ongegrond.)