Grote vrijheid voor rechter bij matiging PKV op grond van art. 2 lid 2 of lid 3 BPB

Grote vrijheid voor rechter bij matiging PKV op grond van art. 2 lid 2 of lid 3 BPB

Gegevens

Nummer
2026/643
Publicatiedatum
24 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:721
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

In deze WOZ-zaak heeft hof Amsterdam slechts een van de door belanghebbende aangevoerde klachten gegrond verklaard. Die klacht zag op het – ten onrechte – niet vergoeden van het griffierecht aan belanghebbende, nu de rechtbank aan belanghebbende wel een VIS heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft het hof belanghebbende een pkv voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep toegekend. Die vergoeding heeft het hof, in afwijking van het forfait, op basis van art. 2 leden 2 en 3 BPB bepaald op € 60. Dit omdat (i) toekenning van een forfaitaire vergoeding de werkelijke in redelijkheid gemaakte kosten zou overtreffen, (ii) de benodigde werkbelasting voor de gemachtigde beperkt was , en (iii) het procesbelang slechts € 50 bedraagt. Belanghebbende heeft hiertegen cassatie ingesteld maar zonder succes, aangezien de aanpak van het hof volgens de Hoge Raad door de cassatiebeugel kan. De rechter heeft namelijk, indien hij besluit tot matiging van de pkv op grond van art. 2 leden 2 en 3 BPB een grote vrijheid bij het bepalen van de omvang van de daaruit voortvloeiende vermindering. Hij behoeft die omvang niet afzonderlijk te motiveren. De rechter overschrijdt de hem hierbij toekomende vrijheid slechts als hij in redelijkheid niet tot een zo vergaande vermindering van de vergoeding mocht besluiten. Dat is hier echter niet aan de orde.

(Cassatieberoep ongegrond.)