Navordering toegestaan door nieuw feit over start ondernemerschap

Navordering toegestaan door nieuw feit over start ondernemerschap

Gegevens

Nummer
2026/623
Publicatiedatum
21 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:2479
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende is betrokken bij een boomkwekerij die sinds 1996 in verschillende rechtsvormen is geëxploiteerd, waaronder een vof en later een cv. Na uittreding en toetreding van familieleden is de cv per 30 juni 2020 ontbonden, waarbij in de ontbindingsovereenkomst is bepaald dat belanghebbende, haar echtgenoot en haar oudere broer het bedrijf voortzetten in een nieuwe vof. De nieuwe vof is op 18 maart 2021 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en de formele vof-overeenkomst is pas op 10 januari 2022 gesloten, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2020. In de aangifte IB/PVV 2021 is belanghebbende per 1 juli 2020 aangemerkt als ondernemer, maar de inspecteur stelt dat het ondernemerschap pas per 18 maart 2021 is aangevangen. In geschil is of belanghebbende per 1 juli 2020 dan wel per 18 maart 2021 als ondernemer kan worden aangemerkt en of de inspecteur beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag mocht uitgaan van de aangifte, nu deze verzorgd was en ingediend door een deskundige. De inspecteur was niet gehouden tot nader onderzoek voorafgaand aan het opleggen van de aanslag. De relevante stukken die aanleiding gaven tot navordering zijn pas na het opleggen van de aanslag ontvangen. Dat de inspecteur schenkbelasting eerder over deze stukken beschikte, doet niet af aan het oordeel, omdat de inspecteur voor de inkomstenbelasting niet verplicht is dossiers van andere belastingmiddelen of verwanten te raadplegen. De rechtbank acht daarom sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, conform HR 18 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:379, NTFR 2022/1207) en HR 3 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1508, NTFR 2023/1915). Ten aanzien van het ondernemerschap overweegt de rechtbank dat belanghebbende de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat zij reeds per 1 juli 2020 als ondernemer kan worden aangemerkt. De rechtbank vindt dat belanghebbende hierin niet is geslaagd, nu de formele vof-overeenkomst pas in januari 2022 is gesloten en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel pas op 18 maart 2021 heeft plaatsgevonden. De enkele mondelinge bewering van belanghebbende is onvoldoende, zeker gezien de gemotiveerde betwisting door de inspecteur. De regeling inzake terugwerkende kracht voor personenvennootschappen mist toepassing, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet is gericht op incidenteel fiscaal voordeel.

(Beroep ongegrond.)