Geen HIR mogelijk voor vergoeding meewerken aan vestigen opstalrecht

Geen HIR mogelijk voor vergoeding meewerken aan vestigen opstalrecht

Gegevens

Nummer
2026/637
Publicatiedatum
22 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:2009
Rubriek
Winst
Relevante informatie

Belanghebbende exploiteert samen met zijn broer een akkerbouwbedrijf in maatschapsverband. In 2018 ontvangt de maatschap een eenmalige afsluitvergoeding van een netbeheerder voor het meewerken aan de vestiging van een opstalrecht voor hoogspanningsmasten op percelen waarvan de maatschap economisch eigenaar is. De vergoeding bestaat uit een afsluitvergoeding, een vergoeding voor vermogensschade en een opslag voor voortvarende medewerking. Belanghebbende neemt zijn aandeel in de afsluitvergoeding (inclusief opslag) op in de winst en vormt hiervoor een herinvesteringsreserve. De inspecteur corrigeert deze toevoeging omdat volgens hem geen sprake is van een vervreemding van een bedrijfsmiddel en de afsluitvergoeding geen tegenprestatie voor de vestiging van het opstalrecht is.

In geschil is of belanghebbende voor zijn aandeel in de afsluitvergoeding een herinvesteringsreserve mag vormen. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat geen herinvesteringsreserve kan worden gevormd voor de afsluitvergoeding. De afsluitvergoeding is niet aan te merken als opbrengst uit de vervreemding van een bedrijfsmiddel, maar als een vergoeding voor het meewerken aan het minnelijk vestigen van het opstalrecht. De vergoeding wordt verstrekt om te voorkomen dat een gedoogplichtprocedure moet worden gevolgd. Het hof verwijst naar de schade- en vergoedingengids van de netbeheerder, waarin wordt toegelicht dat de afsluitvergoeding geen schadevergoeding is, maar een beloning voor medewerking. Dat bij de vestiging van het opstalrecht overdrachtsbelasting is geheven over de afsluitvergoeding, maakt dit fiscaal niet anders, omdat de Wet IB 2001 eigen voorwaarden stelt aan de herinvesteringsreserve.

(Hoger beroep ongegrond.)