Ten onrechte ingehouden Liechtensteinse premies vormen onderdeel van brutoloon van rijnvarende

Ten onrechte ingehouden Liechtensteinse premies vormen onderdeel van brutoloon van rijnvarende

Gegevens

Nummer
2026/646
Publicatiedatum
24 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:564
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende werkte als rijnvarende in dienst van een in Liechtenstein gevestigde vennootschap. Op zijn loon zijn Liechtensteinse socialezekerheidspremies ingehouden die zijn afgedragen aan het Liechtensteinse uitvoeringsorgaan voor de sociale zekerheid. Volgens een onherroepelijke A1-verklaring is op belanghebbende van 1 december 2015 t/m 31 maart 2019 de socialezekerheidswetgeving van Nederland van toepassing. De inspecteur heeft aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 aan belanghebbende opgelegd. De ingehouden Liechtensteinse socialezekerheidspremies zijn daarbij niet op het belastbare loon van belanghebbende in aftrek gebracht en evenmin verrekend met de aanslagen. De ten onrechte geheven Liechtensteinse premies zijn nog niet naar de SVB overgemaakt. Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:6688) heeft belanghebbende ten dele in het gelijk gesteld. Het daartegen ingestelde incidentele cassatieberoep van belanghebbende wordt door de Hoge Raad afgedaan met toepassing van art. 81 Wet RO.

Het principale cassatieberoep van de staatssecretaris richt zich tegen het oordeel van het hof dat belanghebbende het brutoloon niet heeft genoten voor zover het gaat om het bedrag aan ingehouden Liechtensteinse socialezekerheidspremies. Na een uiteenzetting van het juridische kader, oordeelt de Hoge Raad dat dit oordeel onjuist is.

In aanmerking genomen dat de werkgever in 2016 en 2017 met toestemming van belanghebbende de op zijn salaris ingehouden premiebedragen aan het bevoegde socialezekerheidsorgaan van Liechtenstein heeft betaald, zijn deze bedragen in die jaren door belanghebbende genoten als bedoeld in art. 13a Wet LB.

Het standpunt van belanghebbende dat de op zijn brutoloon ingehouden Liechtensteinse socialezekerheidspremies zijn vrijgesteld op grond van art. 11 lid 1 letter j onder 2° Wet LB, wordt door de Hoge Raad (eveneens) verworpen, aangezien in 2016 en 2017 het socialezekerheidsstelsel van Liechtenstein niet op belanghebbende van toepassing was.

Dit betekent dat de op het brutoloon van belanghebbende in 2016 en 2017 ingehouden bedragen aan Liechtensteinse socialezekerheidspremies (de ‘Abzüge’) tot het fiscale loon van belanghebbende voor die jaren worden gerekend, evenals de door belanghebbende in die jaren van zijn werkgever als ‘Krankenkasse Arbeitgeber Beitrag’ ontvangen bedragen.

Daarvan uitgaande, becijfert de Hoge Raad zelf de hoogte van de bedragen aan belastbaar loon van belanghebbende in 2016 en 2017 en concludeert vervolgens dat de aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld.

(Volgt vernietiging.)

Deze samenvatting ziet ook op de arresten HR 24 april 2026 nr. 24/04535, ECLI:NL:HR:2026:716, nr. 24/04537, ECLI:NL:HR:2026:717, nr. 24/04538, ECLI:NL:HR:2026:718, nr. 24/04539, ECLI:NL:HR:2026:719 en nr. 24/04540, ECLI:NL:HR:2026:720.