Aanvang zesjaarstermijn bij verkoop onder ontbindende voorwaarden en aanwending HIR binnen FE

Aanvang zesjaarstermijn bij verkoop onder ontbindende voorwaarden en aanwending HIR binnen FE

Gegevens

Nummer
2026/674
Publicatiedatum
30 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:948
Rubriek
Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende vormt samen met haar dochtermaatschappij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Belanghebbende heeft in 2009 grond aangekocht voor de bouw van een nieuw bedrijfspand. De dochtermaatschappij verkoopt in 2012 en 2013 vijf percelen bouwgrond waarop het ouder bedrijfspand stond. Vier percelen worden verkocht onder ontbindende voorwaarden, waaronder wijziging van het bestemmingsplan en afronding van bodemsanering. De notariële levering van vier percelen vindt plaats in februari 2013, maar pas in 2014 wordt aan alle ontbindende voorwaarden voldaan, waaronder de formele afronding van de sanering. In 2014 wordt de koopsom voldaan en vormt belanghebbende een herinvesteringsreserve ter grootte van de boekwinst, die wordt afgeboekt op de in 2009 aangekochte grond. In 2019 wordt de fiscale eenheid verbroken en een deel van de aandelen in de dochter verkocht.

In geschil is of de inspecteur de in 2014 gevormde herinvesteringsreserve in 2019 terecht met toepassing van art. 15ai Wet Vpb 1969 tot de belastbare winst rekent, en of de reserve in 2014 of in een eerder jaar had moeten worden gevormd. Het hof oordeelt, in navolging van de rechtbank, dat de zesjaarstermijn van art. 15ai Wet Vpb 1969 aanvangt op het moment dat zekerheid bestaat dat aan alle voorwaarden voor de verkoop is voldaan, en niet reeds bij de aankoop van de herinvesteringsgrond of bij het sluiten van de koopovereenkomsten. De door belanghebbende voorgestane uitleg van de leveringsfictie van art. 15ai lid 4 Wet Vpb 1969 wordt verworpen. Doorslaggevend is het moment waarop de besmette transactie, te weten de afboeking van de herinvesteringsreserve, daadwerkelijk plaatsvindt. De winstneming en het vormen van een herinvesteringsreserve is pas aan de orde zijn als geen reële onzekerheden meer bestaan over het wel of niet vervuld zijn van de ontbindende voorwaarden. Omdat pas in 2014 zekerheid bestaat dat aan alle voorwaarden is voldaan, is de herinvesteringsreserve terecht in dat jaar gevormd en begint de zesjaarstermijn op dat moment te lopen. De inspecteur heeft de reserve in 2019 terecht tot de winst gerekend, omdat de verbreking van de fiscale eenheid binnen zes jaar na het vormen van de reserve plaatsvindt.

(Hoger beroep ongegrond).