Geen afboeking van HIR omdat appartementen voor te hoge prijs van DGA zijn gekocht
Geen afboeking van HIR omdat appartementen voor te hoge prijs van DGA zijn gekocht
Gegevens
- Nummer
- 2026/678
- Publicatiedatum
- 30 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende vormt een fiscale eenheid met een dochtermaatschappij en koopt in 2020 acht appartementen in aanbouw in Dubai van haar aandeelhouder voor een bedrag van ruim zes miljoen euro. De bouw van deze appartementen ligt sinds 2011 stil en er zijn substantiële onzekerheden over de oplevering. Investeerders hebben procedures gevoerd tegen de projectontwikkelaar en er is een aanbod gedaan om de appartementen voor 50% van de aankoopprijs terug te kopen. Belanghebbende boekt bij de aangifte vennootschapsbelasting 2020 de aanwezige herinvesteringsreserve (HIR) grotendeels af op de aangekochte appartementen, uitgaande van de oorspronkelijke aankoopprijs, en laat het restant vrijvallen ten gunste van de winst. De inspecteur corrigeert deze afboeking en laat de HIR volledig vrijvallen.
In geschil is of de inspecteur terecht de HIR volledig ten gunste van de winst heeft laten vrijvallen. De rechtbank overweegt dat belanghebbende bij de aangifte is uitgegaan van een waarde voor de appartementen die aanzienlijk hoger ligt dan de waarde in het economische verkeer, gelet op de langdurige stilstand van de bouw en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor hervatting. De taxatierapporten waarop belanghebbende zich beroept, gaan uit van oplevering in 2022, maar daarvoor ontbreken realistische aanknopingspunten. Hierdoor is een te hoog bedrag van de HIR afgeboekt, wat leidt tot een aanzienlijk lager aangegeven belastbaar bedrag dan daadwerkelijk verschuldigd. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende zich hiervan bewust had moeten zijn en dat niet de vereiste aangifte is gedaan, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De inspecteur heeft vervolgens een redelijke schatting gemaakt en kon in redelijkheid het standpunt innemen dat de appartementen geen bedrijfsmiddel vormen, althans geen bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie als de vervreemde bedrijfsmiddelen. Belanghebbende slaagt er niet in overtuigend aan te tonen dat de bouw zou worden hervat, de waarde in het economische verkeer juist is of dat sprake is van een bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie.
(Beroep ongegrond).