Sanctie ‘omkering en verzwaring bewijslast’ is niet ‘criminal’ ex art. 6 EVRM

Sanctie ‘omkering en verzwaring bewijslast’ is niet ‘criminal’ ex art. 6 EVRM

Gegevens

Nummer
2026/696
Publicatiedatum
1 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:421
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende was actief in de onroerendgoedbranche. Hij doet al jaren geen aangifte voor de inkomstenbelasting. De inspecteur heeft voor de aanslagen IB/PVV1 2015 t/m 2017 zijn inkomen geschat. Daarvoor heeft de inspecteur simpelweg de voor de voorafgaande belastingjaren vastgestelde en onherroepelijk vaststaande inkomens gekopieerd. Omdat belanghebbende volgens de inspecteur en de feitenrechters niet de vereiste aangifte heeft gedaan, werd hij in bezwaar en (hoger) beroep geconfronteerd met de omkering en verzwaring van de bewijslast van art. 25 lid 3 en art. 27e AWR. De aanslagen bleven in stand. In cassatie stelt belanghebbende onder meer dat deze omkering van de bewijslast ‘criminal’ is in de zin van art. 6 EVRM. A-G Koopman meent dat deze stelling, gelet op HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2337 faalt. Volgens de A-G is er onvoldoende aanleiding voor de Hoge Raad om terug te komen van dit arrest.

De A-G grijpt deze zaak verder aan om een beschouwing te wijden aan de manier waarop belastingrechters de datum vermelden waarop hun uitspraak ter beschikking van partijen wordt gesteld. Die datum bepaalt de aanvang van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak, en is voor die partijen daarom van groot belang. Helaas laat de duidelijkheid van die vermelding volgens de A-G te wensen over. In hoofdstuk ‎6 van de conclusie behandelt de A-G de door belanghebbende voorgestelde middelen van cassatie. Op twee punten zijn die middelen naar zijn oordeel gegrond. Het gaat om casus specifieke klachten over een door het hof niet behandelde stelling van belanghebbende en over de verwerping door het hof van een beroep van belanghebbende op vertrouwen ontleend aan een mededeling van de inspecteur over de hoogte van de op te leggen boete. Voor het overige falen de middelen naar zijn oordeel.

De A-G komt tot de slotsom dat het cassatieberoep gegrond is en dat de zaak moet worden verwezen naar een ander hof.

Deze samenvatting ziet ook op conclusie van A-G Koopman 17 april 2026, nr. 25/04131, ECLI:NL:PHR:2026:411.