Geen herinvesteringsreserve wegens ontbreken herinvesteringsvoornemen

Geen herinvesteringsreserve wegens ontbreken herinvesteringsvoornemen

Gegevens

Nummer
2026/702
Publicatiedatum
4 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:2506
Rubriek
Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende, een bv, verkoopt in 2019 een bedrijfspand met boekwinst. In de aangifte Vpb 2019 vormt zij een herinvesteringsreserve (HIR) ter grootte van de boekwinst, stellende dat zij voornemens is de opbrengst te herinvesteren in onroerend goed. De inspecteur accepteert deze HIR niet, omdat volgens hem onvoldoende blijkt van een herinvesteringsvoornemen op de balansdatum. Belanghebbende overlegt notulen, verklaringen en een opdrachtbevestiging van een makelaar ter onderbouwing van haar stelling.

In geschil is of belanghebbende een HIR mag vormen voor het in 2019 verkochte pand. De rechtbank stelt voorop dat voor het vormen van een HIR vereist is dat op de balansdatum een concreet herinvesteringsvoornemen bestaat, dat blijkt uit naar buiten toe blijkende gedragingen en handelingen. De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende. De rechtbank acht de overgelegde stukken en verklaringen onvoldoende om een dergelijk voornemen aannemelijk te achten. De notulen van de directievergadering zijn niet ondersteund door objectieve gegevens van concrete investeringsactiviteiten. De verklaringen over bezichtigingen van panden zijn te vaag of zien op een eerdere periode dan relevant is voor het herinvesteringsvoornemen in 2019. De verklaring van de makelaar, waarin een mondelinge zoekopdracht wordt bevestigd, acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede omdat deze pas in de bezwaarfase is overgelegd en niet strookt met eerdere verklaringen dat zonder makelaar werd gewerkt. De rechtbank concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op de balansdatum een herinvesteringsvoornemen had. De inspecteur heeft de dotatie aan de HIR daarom terecht gecorrigeerd.

Ten aanzien van de belastingrente zijn partijen het erover eens dat deze te hoog is vastgesteld. De rechtbank vermindert de belastingrente overeenkomstig HR 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59, NTFR 2026/205). Omdat het beroep slechts om die reden gegrond is, wijkt de rechtbank wat betreft de proceskostenvergoeding af van het forfait.

(Beroep gegrond.)