Geen partnervrijstelling voor inwonend kind met mantelzorg
Geen partnervrijstelling voor inwonend kind met mantelzorg
Gegevens
- Nummer
- 2026/709
- Publicatiedatum
- 7 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Successiewet
- Relevante informatie
Belanghebbende verkrijgt een erfenis van zijn moeder, waarvoor een aanslag erfbelasting is opgelegd. De inspecteur past de vrijstelling voor kinderen toe en berekent de erfbelasting over het saldo van de nalatenschap, waarbij ook belastingrente in rekening wordt gebracht. Belanghebbende voert aan dat hij met zijn moeder samenleefde als ware hij haar partner en daarom recht zou hebben op de partnervrijstelling. Daarnaast stelt hij dat hij een vordering op zijn moeder had wegens door hem gemaakte kosten voor de gezamenlijke woning, die in mindering zou moeten komen op de nalatenschap. In geschil is of belanghebbende recht heeft op de partnervrijstelling voor de erfbelasting en of de vordering op zijn moeder terecht in mindering is gebracht op de nalatenschap. De rechtbank overweegt dat de wetgever bewust heeft gekozen om kinderen die hun ouders verzorgen niet gelijk te stellen aan partners voor de erfbelasting. Ook als belanghebbende met zijn moeder als partners heeft samengeleefd en mantelzorg heeft verleend, geeft dit geen recht op de partnervrijstelling. De vrijstelling voor kinderen is correct toegepast. Ten aanzien van de gestelde vordering oordeelt de rechtbank dat belanghebbende de bewijslast draagt voor het bestaan en de omvang van die vordering. Uit de verklaringen blijkt dat belanghebbende grotendeels is terugbetaald door zijn moeder voor de gemaakte kosten, onder meer door verrekening bij de aankoop van grond. Voor eventueel resterende kosten heeft belanghebbende onvoldoende bewijs geleverd, zodat de vordering niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank concludeert dat de aanslag erfbelasting en de beschikking belastingrente juist zijn vastgesteld.
(Beroep ongegrond.)