Grensoverschrijdende ondernemer blijft premieplichtig zonder substantieel buitenlandwerk
Grensoverschrijdende ondernemer blijft premieplichtig zonder substantieel buitenlandwerk
Gegevens
- Nummer
- 2026/710
- Publicatiedatum
- 7 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Internationaal en Europees
- Relevante informatie
Belanghebbende woont in Duitsland en drijft een eenmanszaak in fiscaal advieswerk. In de jaren 2012, 2013 en 2014 doet hij aangifte als binnenlands belastingplichtige en geeft onder meer winst uit onderneming, AOW-uitkering en een nabestaandenpensioen op. Het nabestaandenpensioen is in Duitsland belast. Voor deze jaren brengt belanghebbende jaarlijks betalingen aan X in aftrek, die voortvloeien uit een civiele aansprakelijkstelling wegens onbehoorlijk bestuur van een stichting derdengelden, waarbij de civiele rechter heeft vastgesteld dat aanzienlijke bedragen ten onrechte zijn onttrokken aan de derdengeldrekening. Voor 2018 en 2019 zijn de aanslagen na bezwaar verminderd tot nihil, waarbij belanghebbende om een hoger verzamelinkomen vraagt. In geschil is of belanghebbende in 2013 en 2014 recht heeft op zelfstandigenaftrek, of de betalingen aan X als bedrijfslast aftrekbaar zijn, of interne compensatie mag worden toegepast voor het nabestaandenpensioen, of belanghebbende in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen in 2013 en 2014, en of hij procesbelang heeft bij de procedures over 2018 en 2019. Het hof volgt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat hij in 2013 en 2014 aan het urencriterium voor zelfstandigenaftrek voldoet. De wisselende verklaringen over uurtarieven en omzetten, het ontbreken van een sluitende urenregistratie en niet-verifieerbare rittenstaten maken dat het hof geen zelfstandigenaftrek toekent. De betalingen aan X zijn niet als bedrijfslast aftrekbaar, nu de civiele rechter heeft vastgesteld dat deze onttrekkingen niets van doen hadden met de zakelijke belangen van de onderneming. Het taxibedrijf werd bovendien geëxploiteerd door een bv en niet door de eenmanszaak van belanghebbende. Het hof oordeelt dat interne compensatie is toegestaan, ook voor een aan Duitsland toegewezen pensioen, omdat de aanslag als geheel moet worden beoordeeld en niet per inkomenspost. Voor de premieplicht volksverzekeringen stelt het hof dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat hij een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Duitsland verricht. Hij is daarom in Nederland premieplichtig. Voor 2018 en 2019 heeft belanghebbende geen procesbelang, nu hij om een hogere aanslag vraagt dan reeds vastgesteld; eventuele gevolgen in Duitsland creëren geen procesbelang. Verzoeken om schadevergoeding en kostenvergoeding voor de bezwaarfase worden afgewezen.
(Hoger beroep ongegrond.)