Geen onderneming maar dienstbetrekking bij buitenlandse detachering Oman
Geen onderneming maar dienstbetrekking bij buitenlandse detachering Oman
Gegevens
- Nummer
- 2026/713
- Publicatiedatum
- 7 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Internationaal en Europees
- Relevante informatie
Belanghebbende was tot 31 augustus 2019 in dienst bij zijn werkgever. Het dienstverband is beëindigd via een vaststellingsovereenkomst, waarbij een ontslagvergoeding van € 633.750 is toegekend en waarop loonheffing is ingehouden. Per 1 september 2019 heeft belanghebbende zich als zelfstandig ondernemer ingeschreven. In 2019 verrichtte hij werkzaamheden in Oman op basis van overeenkomsten waarbij hij feitelijk als consultant werd gedetacheerd bij een Omaanse onderneming. In zijn aangifte IB/PVV 2019 geeft belanghebbende deze inkomsten aan als winst uit onderneming (WUO) en vraagt om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor het volledige buitenlandse inkomen. De inspecteur volgt de aangifte, maar weigert de gevraagde aftrek. In geschil is of de inkomsten uit Oman als WUO of als loon uit dienstbetrekking moeten worden aangemerkt en of de inspecteur terecht de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting heeft geweigerd. Tevens is in geschil of voorkoming moet worden verleend voor (een deel van) de ontslagvergoeding. Belanghebbende is overigens van mening dat geen sprake is van WUO, ondanks dat hij daarvan bij het indienen van de aangifte wel uit is gegaan. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van WUO, omdat belanghebbende niet zelfstandig opereert, geen ondernemersrisico loopt en feitelijk onder gezag van de Omaanse opdrachtgever werkt. De rechtbank kwalificeert de inkomsten als loon uit dienstbetrekking, omdat belanghebbende persoonlijk arbeid verricht, zich niet zonder toestemming kan laten vervangen, werkt onder leiding en toezicht van de opdrachtgever en onderdeel uitmaakt van het team van de opdrachtgever. De rechtbank past de rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 toe en verwijst naar het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:443, ). Omdat de werkzaamheden in Oman zijn verricht en de beloning door een Omaanse werkgever is betaald, is Oman heffingsbevoegd en moet Nederland voorkoming van dubbele belasting verlenen. De rechtbank volgt het besluit van de staatssecretaris om de vrijstellingsmethode toe te passen en berekent de aftrek op € 73.004. Voor de ontslagvergoeding oordeelt de rechtbank dat geen recht bestaat op voorkoming, omdat niet aannemelijk is dat deze (deels) ten laste is gekomen van een buitenlandse werkgever of vaste inrichting. De inspecteur heeft de zogenoemde 4+-methode terecht toegepast.
(Beroep gegrond.)