Navorderingsaanslagen en vergrijpboetes wegens niet-aangegeven buitenlandse banktegoeden; projectmatige CRS-aanpak voldoende voortvarend
Navorderingsaanslagen en vergrijpboetes wegens niet-aangegeven buitenlandse banktegoeden; projectmatige CRS-aanpak voldoende voortvarend
Gegevens
- Nummer
- 2026/767
- Publicatiedatum
- 18 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomsten uit vermogen/Inkomen uit sparen en beleggen
- Relevante informatie
Belanghebbende en zijn echtgenote wonen sinds 1998 in Nederland en houden in de jaren 2010-2019 diverse bank-, spaar- en effectenrekeningen aan in Duitsland en de Verenigde Staten. De saldi op deze buitenlandse rekeningen worden in de aangiften inkomstenbelasting over deze jaren niet of slechts voor een klein deel verantwoord. De Belastingdienst ontvangt via de Spaarrenterichtlijn en later de Common Reporting Standard (CRS) informatie over deze rekeningen. Op basis van deze gegevens legt de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV op over 2010, 2011, 2014, 2015, 2016 en 2018, en een aanslag over 2019, met vergrijpboetes van 150%. Belanghebbende erkent de onjuiste aangiften, maar voert aan dat dit uit gemakzucht en onwetendheid is gebeurd, niet uit opzet.
In geschil is of de belastingaanslagen moeten worden vernietigd wegens schending van de beslistermijn dan wel overschrijding van de redelijke termijn, of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen de vereiste voortvarendheid heeft betracht, of het inkomen uit werk en woning 2010 te hoog is vastgesteld, of de verdeling van het box 3-vermogen over 2015 en 2016 moet worden aangepast en of de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.
Het hof volgt het oordeel van de rechtbank dat overschrijding van de beslistermijn van art. 7:10 Awb geen gevolgen heeft voor de aanslagen . Ook de overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot vernietiging van de aanslagen. Ten aanzien van de voortvarendheid bij het opleggen van de navorderingsaanslagen oordeelt het hof dat de inspecteur, gelet op de massaliteit van de CRS-gegevens en de projectmatige aanpak, voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er is geen sprake van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. Het inkomen uit werk en woning 2010 is niet te hoog vastgesteld; uitbetalingen van niet-genoten vakantiedagen, overuren en aandelenoptierechten behoren tot het loon in het jaar van uitbetaling. Voor de verdeling van het box 3-vermogen over 2015 en 2016 volgt het hof de ter zitting gemaakte keuze van belanghebbende en zijn echtgenote, maar kan de aanslagen niet verhogen; nadere navorderingsaanslagen zijn mogelijk.
Het hof acht het buiten redelijke twijfel dat belanghebbende opzettelijk (althans voorwaardelijk opzettelijk) de buitenlandse tegoeden niet of slechts gedeeltelijk heeft aangegeven, ondanks expliciete waarschuwingen en vooringevulde aangiften. De opgelegde vergrijpboetes van 150% zijn passend en geboden, mede gelet op de ernst en duur van het verzuim. De boetes zijn reeds door de rechtbank gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn; verdere matiging is niet aan de orde. Het hoger beroep is ongegrond.
(Hoger beroep ongegrond.)