Zonder uitnodiging of vragen geen navorderingsbevoegdheid
Zonder uitnodiging of vragen geen navorderingsbevoegdheid
Gegevens
- Nummer
- 2026/776
- Publicatiedatum
- 19 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Arbeid, loon en resultaat
- Relevante informatie
Belanghebbende is met een Zwitserse AG overeengekomen dat hij voor werkzaamheden recht heeft op een managementvergoeding van € 8.000 per maand. In deze periode heeft belanghebbende geen eigen bankrekening, geen bekend vermogen en voorziet hij in zijn levensonderhoud met gelden die op de bankrekening van zijn partner worden gestort. Voor 2014 is geen aangifte gedaan, voor 2015 en 2016 zijn nihilaangiften ingediend. De FIOD start een onderzoek naar belastingfraude, waarbij onder meer managementfees, banktransacties en een leningsovereenkomst met Stichting L worden onderzocht. Belanghebbende stelt dat hij slechts heeft geleend van Stichting L en dat de managementfees niet zijn genoten, omdat deze niet zijn uitbetaald.
Het hof vernietigt, anders dan de rechtbank, de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2014. Het hof oordeelt dat voor 2014 geen navorderingsbevoegdheid bestaat, omdat belanghebbende niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte en geen vragen zijn gesteld op grond van art. 47 AWR. Hierdoor kan kwade trouw niet tot navordering leiden. Ook is geen sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit, omdat de inspecteur de FIOD-informatie als nieuw feit aanmerkt, maar tot 31 december 2017 nog een primitieve aanslag kon worden opgelegd. Een ‘nieuw nieuw feit’ is niet aannemelijk gemaakt. Dat belanghebbende een aanmerkelijk belang had in een Nederlandse vennootschap is onvoldoende bewezen. Voor 2015 en 2016 bevestigt het hof de aanslagen. De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte en kwade trouw. De schatting van het inkomen op € 96.000 per jaar acht het hof redelijk, gezien de ontvangen bedragen en de aangetroffen administratie.
(Hoger beroep 2014 gegrond, 2015 en 2016 ongegrond.)