Bestuurder aansprakelijk bij ontbreken geldige melding betalingsonmacht

Bestuurder aansprakelijk bij ontbreken geldige melding betalingsonmacht

Gegevens

Nummer
2026/744
Publicatiedatum
12 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:2673
Rubriek
Invordering
Relevante informatie

Belanghebbende is indirect bestuurder van een bv die actief is in de transportsector en gedurende de periode februari 2021 tot en met maart 2023 aanzienlijke bedragen aan loonheffing en omzetbelasting onbetaald heeft gelaten. De bv heeft in deze periode regelmatig aangiften niet of te laat gedaan en de belastingschulden zijn snel opgelopen. Belanghebbende houdt 50% van de aandelen in de holding boven de bv en is via verschillende vennootschappen bestuurder geweest van de bv. De bv heeft substantiële bedragen overgemaakt aan gelieerde vennootschappen, waarvan een deel uiteindelijk op de privérekening van belanghebbende is terechtgekomen. In geschil is of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de loonheffing- en omzetbelastingschulden van de bv op grond van art. 36 Iw 1990. De rechtbank oordeelt dat het corona-uitstelverzoek van januari 2022 niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht, omdat geen sprake was van terugvallende opdrachten en het verzoek ten onrechte is ingediend. Pas op 1 mei 2023 is een melding betalingsonmacht gedaan die voor de tijdvakken februari en maart 2023 als tijdig en rechtsgeldig wordt aangemerkt, maar voor eerdere tijdvakken niet. Voor deze tijdvakken geldt het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Voor februari en maart 2023 beoordeelt de rechtbank of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en concludeert dat belanghebbende wist van de oplopende belastingschulden, regelmatig geen of te late aangiften heeft gedaan en geld heeft overgemaakt aan gelieerde vennootschappen zonder zakelijke onderbouwing, waarvan een groot deel uiteindelijk privé is ontvangen. De rechtbank acht het handelen van belanghebbende als kennelijk onbehoorlijk bestuur, aangezien hij wist of had moeten begrijpen dat zijn handelen tot onbetaald blijven van de belastingschulden zou leiden en hem een ernstig verwijt treft. De rechtbank oordeelt verder dat belanghebbende ook aansprakelijk is voor kosten en boetes, nu hem daarvan een zelfstandig verwijt kan worden gemaakt. Matiging van de aansprakelijkstelling op grond van persoonlijke draagkracht is niet mogelijk, omdat de wet daarvoor geen ruimte biedt. De rechtbank ziet geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, nu belanghebbende voorafgaand aan de beschikking in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken en er geen aanwijzingen zijn dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld.

(Beroep ongegrond.)