Omkering bewijslast en redelijke schatting bij gebrekkige administratie souvenirwinkels
Omkering bewijslast en redelijke schatting bij gebrekkige administratie souvenirwinkels
Gegevens
- Nummer
- 2026/747
- Publicatiedatum
- 12 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Winst
- Relevante informatie
Belanghebbende exploiteert vier winkels in een eenmanszaak en verkoopt onder meer souvenirartikelen en wietzaden. Voor het belastingjaar 2018 legt de inspecteur een aanslag IB/PVV op, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 680.774. De inspecteur baseert dit op een boekenonderzoek waarin ernstige administratieve gebreken worden vastgesteld, waaronder het ontbreken van een actuele kasadministratie, niet verantwoorde pinbetalingen en privéstortingen, en een schaduwboekhouding aangetroffen tijdens een waarneming ter plaatse door de Douane. In beroep oordeelt de rechtbank dat het bewijs uit de schaduwboekhouding onrechtmatig is verkregen en de schatting van de inspecteur onvoldoende controleerbaar is.
De inspecteur gaat in hoger beroep en betoogt dat de schaduwboekhouding rechtmatig is verkregen en dat de aanslag berust op een redelijke schatting. Het hof oordeelt dat de Douane op grond van art. 83 Wet op de accijns (WA) bevoegd was om de winkel en de daar aangetroffen tas, waarin de schaduwboekhouding zat, te onderzoeken. De bedrijfsleider heeft vrijwillig de inhoud van de tas getoond, waardoor geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. De inspecteur handelt binnen de bevoegdheden van de AWR en mag de inhoud gebruiken als bewijs.
Het hof stelt vast dat de administratie van belanghebbende zodanige gebreken vertoont dat deze niet als grondslag voor de omzetberekening kan dienen. De schaduwboekhouding en verklaringen van belanghebbende en de bedrijfsleider maken aannemelijk dat niet de vereiste aangifte is gedaan. De omkering en verzwaring van de bewijslast is van toepassing. Het hof acht de door de inspecteur gemaakte schatting van de omzet, gebaseerd op de schaduwboekhouding en extrapolatie naar het gehele jaar, navolgbaar en redelijk. De inspecteur houdt bovendien rekening met verschillende btw-tarieven en bedrijfslasten, waardoor de schatting aansluit bij de administratie van belanghebbende.
Belanghebbende slaagt er niet in overtuigend aan te tonen dat zijn winst lager moet worden vastgesteld. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de oorspronkelijke aanslag in stand blijft.
(Hoger beroep gegrond.)