Geen automatische vermindering conserverende aanslag bij remigratie
Geen automatische vermindering conserverende aanslag bij remigratie
Gegevens
- Nummer
- 2026/780
- Publicatiedatum
- 19 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Internationaal en Europees
- Relevante informatie
Belanghebbenden zijn de erven van een dga die in 2013 met zijn gezin naar Spanje emigreert, waarbij hij het woonhuis in Nederland aanhoudt en enig aandeelhouder blijft van een bv met uitsluitend beleggingsvermogen. Kort na emigratie verplaatst de bv haar zetel naar Malta. In 2014 keert de bv een groot dividend uit aan erflater. In 2017 legt de inspecteur een conserverende aanslag IB/PVV 2013 op wegens fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang bij emigratie. Voor deze aanslag wordt uitstel van betaling verleend. Erflater overlijdt in 2018 in Spanje. Zijn echtgenote remigreert in 2019 naar Nederland. De inspecteur vermindert later de aanslagen IB/PVV 2014-2016 uitgaande van buitenlandse belastingplicht, maar handhaaft de conserverende aanslag. De ontvanger beëindigt het uitstel van betaling en wijst het verzoek tot voortzetting daarvan af, omdat alle erfgenamen inmiddels weer in Nederland wonen. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. In geschil is of de conserverende aanslag van rechtswege is verminderd of moet worden verminderd, of het uitstel van betaling had moeten worden voortgezet, of de betaling onverschuldigd is, en of sprake is van strijd met Europees recht. Het hof oordeelt dat de conserverende aanslag niet van rechtswege vervalt bij remigratie van de erflater of diens echtgenote. Daarvoor is een verzoek tot vermindering vereist en de wettelijke bepalingen voorzien niet in automatische vermindering. De inspecteur hoeft de aanslag niet te verminderen louter omdat later voor een ander jaar binnenlandse belastingplicht wordt aangenomen. Het naast elkaar opleggen van conserverende en reguliere aanslagen tot behoud van rechten is toegestaan. Ook bij intrekking van bezwaar tegen een tot behoud van rechten opgelegde aanslag ontstaat geen verplichting tot vermindering van de conserverende aanslag. Het uitstel van betaling is terecht beëindigd na het overlijden van erflater, omdat alleen beleggingsvermogen in de bv aanwezig was en de wettelijke regeling uitstel bij overgang van aanmerkelijk belang beperkt tot ondernemingsvermogen. Het hof ziet geen strijd met het Unierecht, omdat per saldo niet meer belasting is geheven dan bij overlijden in Nederland het geval zou zijn geweest. Van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake. De betaling op de conserverende aanslag is niet onverschuldigd.
(Hoger beroep ongegrond.)