NTFR 2026/835 - De prijs van vrijheid

Vrijheid is weer een thema in het Nederlandse belastingrecht. Wij gaan immers een ‘vrijheidsbijdrage’ betalen om de stijgende defensie-uitgaven te kunnen bekostigen. Maar belastingen voor defensie, moeten we dat nu een vrijheidsbijdrage noemen?

Inleiding

Burgers en bedrijven gaan de zogenoemde ‘vrijheidsbijdrage’ betalen volgens het coalitieakkoord ‘Aan de slag – Bouwen aan een beter Nederland’ van het onlangs aangetreden kabinet-Jetten.1 De instabiele internationale situatie noopt tot verhoogde investeringen in defensie. Ter financiering daarvan dienen burgers en ondernemingen een vrijheidsbijdrage te betalen.

D66, VVD en CDA zullen op dit punt ongetwijfeld inspiratie hebben gevonden in het verkiezingsprogramma van het CDA, waarin vorig jaar het idee van een vrijheidsbijdrage werd geïntroduceerd:

‘11.8.4 Vrijheid is niet gratis. (…) We maken ruimte op de begroting om de extra Defensie-uitgaven te kunnen betalen (…) Daarnaast introduceren we een vrijheidsbijdrage voor iedereen, burgers en bedrijven. We vragen daarmee iedereen evenredig naar draagkracht bij te dragen.’2

Degenen die in het coalitieakkoord een ‘evenredig naar draagkracht’ geheven vrijheidsbelasting zouden verwachten, komen echter bedrogen uit. Er wordt geen aparte belasting ingevoerd en er is geen sprake van een heffing naar draagkracht. Het is een gewone belastingverhoging waarbij aan de gebruikelijke knoppen wordt gedraaid. Het verband tussen ‘vrijheid’ en ‘bijdrage’ lijkt daarom ver te zoeken.3 Burgers gaan bijdragen via een beperking van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting. Bedrijven gaan een hogere premie voor het arbeidsongeschiktheidsfonds betalen.4 De beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor is ‘een heel simpele methode om extra belastingopbrengst te genereren’ die ook het voordeel heeft ‘dat de politiek geen moeilijke keuzes hoeft te maken’.5 Uitvoeringstechnisch is dit voor de Belastingdienst bovendien relatief eenvoudig. Dat past in het regeerakkoord: de regeringspartijen willen vanuit het perspectief van een slagvaardige overheid de complexiteit verminderen en de uitvoering ‘eenvoudig, uitvoerbaar en voorspelbaar’ maken – hoewel een en ander niet samen hoeft te gaan, zoals zal blijken.6 De vrijheidsbijdrage voor burgers lijkt echter uitsluitend in box 1 en box 2 te zullen worden geheven; vermogensinkomsten gaan niet bijdragen. Arbeids- en winstinkomens in de eerste en tweede schijf dragen zo proportioneel het meest bij. Op deze wijze werkt de vrijheidsbijdrage ‘degressief en dragen hogere inkomens en vermogens relatief minder bij aan de defensie-investeringen’.7 Vooral de lagere inkomens worden hierdoor geraakt. Is dit een rechtvaardige verdeling van de belastinglast die met de verhoogde defensie-uitgaven gepaard gaat? ‘Vermogenden hoeven ook niets bij te dragen aan de zogenoemde vrijheidsbijdrage’, verzucht Van Arendonk zelfs.8

Niet alleen de verdelende rechtvaardigheid loopt een deuk op, ook de transparantie en voorspelbaarheid van de belastingdruk komen er bekaaid vanaf. Volgens Elsweier lijkt de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor juist een voorbeeld van het op een ondoorzichtige wijze verhogen van de inkomstenbelastingdruk voor burgers.9

Ook bedrijven gaan als gezegd een vrijheidsbijdrage betalen. Dit gebeurt in de vorm van een taakstellende verhoging van de arbeidsongeschiktheidsfonds-premie (aof-premie).10 Deze bijdrage die werkgevers verplicht betalen ter financiering van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waaronder de WIA en WAO, wordt dus verhoogd. De verdere invulling van deze verhoging van de aof-premie zal in overleg met ondernemersorganisaties plaatsvinden, mede in het licht van het vestigingsklimaat.11 Ook hier zien we een bekend kenmerk van de fiscaliteit: belastingverhoging omdat de regering elders geld nodig heeft. Elsweier wijst erop dat de aof-premie een knop is waaraan gedraaid kan worden en in toenemende mate wordt gebruikt als ‘een budgettair instrument dat wordt ingezet om financiële tegenvallers elders op te vangen’.12 En ook hier is er spanning met andere goede kabinetsvoornemens. Een gelijker speelveld voor werknemers en zelfstandigen blijft namelijk onderdeel van het kabinetsbeleid. Maar, zo schrijft Mertens, de voorgenomen verhoging van de aof-premie past daar niet bij.13

Inmiddels diende het Kamerlid Dijk een motie in (23 april 2026) om hiervan af te zien en het arbeidsongeschiktheidsfonds niet als instrument voor de vrijheidsbijdrage te zien.14

Nieuweboer betoogt dat een aantal van de genoemde nadelen kunnen worden voorkomen door te kiezen voor een bestemmingsbelasting – waarbij als bekend de opbrengst van een heffing politiek wordt gekoppeld aan een specifiek uitgavendoel. Deze heffing kan zijns inziens de vorm krijgen van een opslag op de berekende inkomsten- en vennootschapsbelasting. Zo’n vrijheidsopslag is transparant, administratief eenvoudig en voor belastingplichtigen duidelijk herkenbaar. Daarbij waarborgt deze opslag ‘een evenwichtige verdeling van de last, omdat zij aansluit bij de bestaande progressie in de inkomstenbelasting’.15

Wat daarvan zij, een heel ander punt is het bijna vanzelfsprekende verband tussen vrijheid en defensie dat door de regering wordt gelegd.16 Zoals Dijkstra en Van der Vlugt betogen, lijkt het uiteindelijk om een pragmatische begrotingsmaatregel te gaan, ‘ingegeven door NAVO-verplichtingen, toenemende geopolitieke spanningen aan de Europese flanken en een onvoorspelbare bondgenoot aan de andere kant van de Atlantische Oceaan’. Maar, zo vervolgen zij, er speelt iets fundamentelers: ‘de verhouding tussen staat, gemeenschap en belastingheffing zelf’.17 De legitimiteit van deze belastingverhoging voor extra defensie-uitgaven of van andere offers die van de burgers worden gevraagd, zoals dienstplicht, wordt huns inziens bepaald door gemeenschapszin en het gezag van de staat. Dijkstra en Van der Vlugt concluderen dat het antwoord op de vraag of burgers bereid zijn de vrijheidsbijdrage te betalen niet enkel afhangt ‘van hun vijand, maar van de vraag of zij hun eigen staat nog als legitieme bondgenoot herkennen’.

Wanneer is de eigen staat een legitieme bondgenoot? Op zich zijn burgers bereid hogere belastingen te betalen als ze zien dat de opbrengsten ervan voor hun bescherming worden aangewend. Dat laat bijvoorbeeld de Nederlandse Opstand zien. Daarbij moet wel ieder zijn deel bijdragen.18 En moet, als de vrede hersteld is, de belastingdruk weer dalen? Voor Dijkstra en Van der Vlugt is van belang dat de geschiedenis laat zien dat oorlogen doorgaans tot een blijvend hogere belastingdruk leiden. De financiering van de hogere defensie-uitgaven leidt tot hogere en nieuwe belastingen waarbij na afloop van de oorlog de belastingdruk nauwelijks daalt en dus niet terugkeert naar het vooroorlogse niveau.19 Staten gebruikten het geld voor andere activiteiten en voorzieningen. Daaronder valt ook een versterking van het ambtelijk apparaat, dat ook al in de vroege geschiedenis van staatsvorming een grote rol speelde – bijvoorbeeld bij belastingheffing en -inning.20 Oorlogen leiden zo steeds tot een uitbreiding van de staatsactiviteiten, maar overigens ook tot vormen van representatie.21

Een belastingstelsel hangt niet in het luchtledige; het is een functie van sociale en politieke verhoudingen – daaronder oorlogsdreiging.22 Hogere belastingen worden dus bijna vanzelfsprekend aan oorlogsvoering en defensie gekoppeld. Toch is dat niet het hele verhaal. Zeker, oorlogen leiden tot een hogere belastingdruk, maar een (dreigende) oorlog is niet de oorzaak van elke nieuwe belasting of verhoging van een bestaande belasting. Staten voeren immers (ook) buiten oorlogstijd tal van maatregelen in om het leven van hun burgers aangenamer te maken. Dat leidt tot een hogere belastingdruk – mede met een beroep op de onderlinge solidariteit van burgers.

De invoering van de inkomstenbelasting in Nederland is in dit kader een mooi voorbeeld. N.G. Pierson (1838-1909) voerde in 1893 de inkomstenbelasting in – dit werd in de troonrede aangekondigd als een dringende eis van rechtvaardigheid.23 In het laatste kwart van de negentiende eeuw maakte de staat zich namelijk verantwoordelijk voor een breed algemeen belang: een ontwikkeling die er rond 1900 toe leidde dat voor bijzondere groepen burgers specifieke maatregelen genomen konden worden.24 Daarbij konden belastingen een nuttig instrument zijn, zo betoogde Thorbecke. Een beschaafde staat kon door middel van belastingen of maatregelen ‘een billijke verdeling van het vermogen proberen te bevorderen’.25 De Franse Revolutie met haar idee van de maakbare samenleving vormde in feite de prelude van deze ontwikkeling. Het utilitarisme van Jeremy Bentham (1748-1832) droeg daaraan verder bij, waardoor ‘the condition of the people’ onderdeel van de staatsbemoeienis werd.26

In het negentiende-eeuwse fiscale denken en doen spelen liberalen een hoofdrol. De liberale inspanningen leidden – deels onder druk van de socialistische beweging – tot een ‘ingrijpende modernisering van het staatsbestel die samenhing met een technische en economische modernisering in de maatschappij’.27 De vernieuwing van de staat omvatte onder andere de eerste golf van sociale wetten en de belastinghervorming. Een van de belangrijkste aanjagers van deze vernieuwing was de ‘sociale kwestie’. Onder deze noemer vielen tal van problemen die het gevolg waren van de snelle industrialisatie en urbanisatie: kinderarbeid, werkloosheid, ziekte, overbevolking, onderontwikkeling en alcoholisme. Voor deze toenemende staatsinterventie waren uiteraard financiële middelen nodig. Belastingen waren daarom een onderdeel van het debat – alleen al omdat meer staatsinmenging onvermijdelijk tot meer en hogere belastingen zou leiden. Via belastingen bleek dus hoe de politieke meerderheid dacht over de verhouding tussen staat, samenleving en individu – en dus vrijheid en eigendom.28 Daarbij kwam ook meer aandacht voor belastingheffing als zaak van het recht. De idee van de staat als voor alles een rechtsstaat gecombineerd met de erkenning van het belang van een (emancipatoire) sociale politiek zien we in die tijd bij P.W.A Cort van der Linden (1846-1935) terug.29

De ontwikkeling van de moderne verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog is een ander voorbeeld van hogere belastingen die niet zozeer voor defensie waren bedoeld. Er werd veel in publieke goederen en sociale voorzieningen geïnvesteerd, maar de defensie-uitgaven waren in West-Europese landen vaak relatief laag. Trump heeft dan ook een punt als hij zegt dat de (andere) NAVO-lidstaten, met hun vrij lage defensie-uitgaven, wel vertrouwden op de Amerikaanse militaire paraplu – betaald door Amerikaanse belastingplichtigen.

Het punt waar het mij om gaat, zal inmiddels duidelijk zijn. De relatie tussen belastingen en vrijheid kan niet gereduceerd worden tot belastingheffing ten behoeve van defensie-uitgaven. Vrijheid moet namelijk niet enkel negatief worden begrepen als de afwezigheid van oorlog, zoals Spinoza in de zeventiende eeuw al betoogde.30 Montesquieu zei het een eeuw later ook.31 Belastingen dienen vrijheid dan ook in veel bredere, positieve zin. De staat voorziet immers in tal van behoeften, wensen en belangen van de leden van de samenleving. De staat ontplooit velerlei activiteiten op tal van terreinen waardoor onze vrijheid meer is dan een lege huls, denk aan justitie, infrastructuur, economie, werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, sport en sociale voorzieningen. Zo kon de markt in Europa in de vroege negentiende eeuw opkomen door bewuste staatsinterventie.32 De staat grijpt tegenwoordig in bij marktfalen en stimuleert innovatie en creëert nieuwe markten.33 De vrijheid op de markt wordt bovendien ondersteund door het rechtssysteem, gefinancierd met belastingen, dat zo nodig het nakomen van afspraken kan afdwingen. Sterker nog, zo betoogt de Amerikaanse rechtstheoreticus Sunstein, het rechtssysteem deelt rechten en plichten toe en dit ‘will have a profound effect on and indeed help constitute the distribution of wealth and the content of private preferences’.34 Maar ook het belastingsysteem beïnvloedt de verdeling van inkomen en vermogen.35 Mede dankzij het rechtssysteem en het belastingstelsel zijn sommigen dus economisch beter af dan anderen. Dat alleen al vraagt om solidariteit met degenen voor wie het systeem minder voordelig werkt. Belastingen bevorderen zo de samenwerking en relatie tussen burgers onderling, zij het via de staat; dit is een fundamenteel aspect van het sociaal contract, naast de relatie tussen burgers en staat.36

Kort en goed, het gaat hier om twee aspecten van vrijheid. Enerzijds negatieve vrijheid, belastingen als een inbreuk op het eigendomsrecht en de bestedingsvrijheid – die op zich weer wordt beschermd door leger, politie en justitie. Anderzijds positieve vrijheid, de mogelijkheid om vrij te bewegen, te reizen, jezelf in goede gezondheid kunnen ontwikkelen via onderwijs, cultuur et cetera.37 Tal van met belastingen betaalde publieke goederen en voorzieningen dragen bij aan deze vorm van vrijheid.

Uiteindelijk gaat het om positieve vrijheid, zoals Timothy Snyder laat zien in zijn recente boek over vrijheid. Als Oekraïners met hem praten over vrijheid, dan hebben ze het niet over vrij zijn van Russische aanvallen en bezetting, maar over dat ze familie willen zien en vrienden kunnen bezoeken, reizen, enzovoort.38 Die vrijheid wordt beschermd en mogelijk gemaakt door betrouwbare en effectieve rechtstatelijke instituties.39 Personen betalen dan belasting in ruil voor bescherming en de bevordering van positieve vrijheid. De publieke goederen en voorzieningen moeten daarbij aan alle leden van de samenleving ten goede komen. Daarbij hoort ook een bepaalde mate van solidariteit die positieve vrijheid voor iedereen en zo sociale cohesie bevordert. Een zekere mate van herverdeling past daarbij; het belastingstelsel draagt dan bij aan distributieve rechtvaardigheid.40

Slot

Een belastingverhoging in de vorm van een ‘vrijheidsbijdrage’ kan de vrijheid dienen door burgers, inclusief hun persoonlijke levenssfeer en eigendom, beter te beschermen tegen een vijand. Maar burgers willen ook op positieve wijze invulling geven aan hun vrijheid. Zij willen publieke goederen en voorzieningen, bijvoorbeeld om te bewegen en zich te ontwikkelen. Belastingen zijn hier een belangrijke financieringsbron en hebben dus ook een positieve functie: zij zijn niet enkel een ingreep in de bestedingsvrijheid, maar maken positieve vrijheid mogelijk. Een hoge graad van solidariteit zorgt dan dat deze vrijheid voor iedereen wordt bevorderd.