Aansprakelijkstelling inlener wegens onzorgvuldig handelen ontvanger vervalt
Aansprakelijkstelling inlener wegens onzorgvuldig handelen ontvanger vervalt
Gegevens
- Nummer
- 2026/789
- Publicatiedatum
- 20 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Invordering
- Relevante informatie
Belanghebbende exploiteert een internationale transportonderneming en heeft in 2018 geen eigen personeel in dienst, maar leent personeel in van een andere bv. In dat jaar ontstaan bij deze uitlener aanzienlijke belastingschulden. De ontvanger verleent in juli 2017 uitstel van betaling voor eerdere schulden, onder voorwaarden en met zekerheden, en deze regeling wordt grotendeels nagekomen. Vanaf mei 2018 blijft betaling uit, waarna het uitstel wordt ingetrokken en invorderingsmaatregelen volgen, waaronder beslag op inventaris en het vestigen van een pandrecht op debiteuren. Later blijkt dat een deel van de vorderingen al aan een derde was gecedeerd, waardoor het pandrecht onvoldoende zekerheid biedt. Na het faillissement van de uitlener in maart 2019 blijft een deel van de belastingschulden onbetaald, waarna belanghebbende als inlener op grond van art. 34 Iw 1990 aansprakelijk wordt gesteld.
In geschil is of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gelaten naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen van de uitlener, in het bijzonder of de ontvanger door onzorgvuldig handelen zijn bevoegdheid tot aansprakelijkstelling heeft verloren.
Het hof oordeelt, in navolging van de rechtbank, dat de ontvanger zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hij het recht op aansprakelijkstelling heeft verloren. Het hof stelt vast dat de ontvanger feitelijk uitstel van betaling heeft verleend zonder zich voldoende te vergewissen van de bevoegdheid van de uitlener om zekerheid te verschaffen op de vorderingen. De ontvanger was al in september 2018 op de hoogte van mogelijke cessie van vorderingen aan derden, maar heeft nagelaten om de relevante stukken, zoals de factoringovereenkomst, op te vragen en te controleren of het pandrecht daadwerkelijk voldoende zekerheid bood. Door deze handelwijze heeft de ontvanger niet aannemelijk gemaakt dat hij niet met minder zekerheid genoegen heeft genomen dan van hem mocht worden verwacht. Omdat de ontvanger niet heeft aangetoond dat geen andere zekerheden mogelijk waren, kan belanghebbende niet aansprakelijk worden gehouden.
(Hoger beroep gegrond.)