Geen open fonds voor gemene rekening bij ontbreken participantenregister en vrije verhandelbaarheid
Geen open fonds voor gemene rekening bij ontbreken participantenregister en vrije verhandelbaarheid
Gegevens
- Nummer
- 2026/790
- Publicatiedatum
- 20 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomsten uit vermogen/Inkomen uit sparen en beleggen
- Relevante informatie
Belanghebbende en zijn echtgenote richten eind 2021 een fonds voor gemene rekening op, waarbij zij ieder een spaarrekening openen en daarop een gelijk bedrag storten. De spaartegoeden zijn afkomstig van een gezamenlijke rekening. In de overeenkomst is bepaald dat het fonds belegt in deposito’s en spaarrekeningen, en dat participaties worden uitgegeven aan beide echtgenoten. Er is echter geen participantenregister opgesteld, en de spaarrekeningen blijven op naam van de afzonderlijke echtgenoten staan. Het doel van het fonds is volgens belanghebbende uitsluitend fiscaal: het vermijden van belastingheffing in box 3.
In geschil is of met het aangaan van de overeenkomst een fonds voor gemene rekening in de zin van art. 2 lid 1 letter f en lid 4 Wet Vpb 1969 tot stand is gebracht.
Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat geen sprake is van een open fonds voor gemene rekening. Doorslaggevend acht het hof dat noch waardepapieren, noch een participantenregister is opgesteld waaruit de deelgerechtigdheid blijkt. Volgens de overeenkomst moeten bij toetreding van een derde participant en overdracht van participaties de fondsvoorwaarden worden gewijzigd, waarvoor de toestemming van alle participanten vereist is. Daarmee ontbreekt de vrije verhandelbaarheid van participaties, zoals vereist door art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969. Ook acht het hof het onaannemelijk dat derden tot het fonds zouden toetreden, gezien de persoonlijke band tussen de participanten en de aard van de bezittingen. Het hof verwerpt het beroep van belanghebbende op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, nu geen sprake is van een situatie waarin daarop met succes een beroep kan worden gedaan. Het hof bevestigt dat het in het fonds ingebrachte vermogen tot de box 3-grondslag behoort en volgt daarmee het standpunt van de inspecteur.
(Hoger beroep gegrond.)