Conserverende aanslag en revisierente bij emigratie naar Curaçao niet in strijd met goede trouw bij uitleg BRNC

Conserverende aanslag en revisierente bij emigratie naar Curaçao niet in strijd met goede trouw bij uitleg BRNC

Gegevens

Nummer
2026/791
Publicatiedatum
20 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:3757
Rubriek
Internationaal en Europees
Relevante informatie

Belanghebbende is een natuurlijk persoon die op 30 juni 2021 vanuit Nederland naar Curaçao is geëmigreerd. Op het moment van emigratie beschikte hij over een pensioenaanspraak bij het ABP, waarvan de uitkering op 1 september 2021 is ingegaan en die volgens het pensioenreglement onomkeerbaar is. Daarnaast had belanghebbende een lijfrenteaanspraak bij een verzekeraar, waarvoor hij per 1 februari 2023 een lijfrente heeft aangekocht. De inspecteur heeft bij emigratie een conserverende aanslag IB/PVV 2021 opgelegd over een te conserveren inkomen van € 797.237, bestaande uit de waarde van de pensioenaanspraak en de in aftrek gebrachte premies voor de lijfrente. Voorts is revisierente in rekening gebracht.

In geschil is of de conserverende aanslag en de revisierente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De rechtbank overweegt dat op grond van art. 3.83 lid 1 Wet IB 2001, bij emigratie de waarde van de pensioenaanspraak tot het loon wordt gerekend, en dat art. 3.146 lid 3 Wet IB 2001 bepaalt dat dit loon wordt geacht te zijn genoten direct voorafgaand aan de emigratie. Omdat het heffingsrecht over de pensioenuitkering op grond van art. 18 lid 3 Belastingregeling Nederland-Curaçao aan Nederland is toegewezen, is geen sprake van strijd met de goede trouw bij verdragsuitleg. De rechtbank volgt de memorie van toelichting bij de Wet IB 2001, waaruit blijkt dat de wetgever ook een conserverende aanslag beoogt indien het pensioen reeds is ingegaan en in Nederland verzekerd blijft. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle door de wetgever zijn verdisconteerd die nopen tot buiten toepassing laten van de wet op grond van algemene rechtsbeginselen.

Ten aanzien van de lijfrenteaanspraak oordeelt de rechtbank dat art. 3.136 lid 2 Wet IB 2001, slechts de in aftrek gebrachte premies belast en niet de waarde van de aanspraak, zodat geen sprake is van strijd met de goede trouw bij verdragsuitleg. De revisierente volgt de conserverende aanslag en is eveneens terecht opgelegd.

(Beroep ongegrond.)