Leges verhuurvergunning Leiden in strijd met Dienstenrichtlijn
Leges verhuurvergunning Leiden in strijd met Dienstenrichtlijn
Gegevens
- Nummer
- 2026/792
- Publicatiedatum
- 20 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Heffing lokale overheden
- Relevante informatie
Belanghebbende is een particuliere verhuurder die in 2024 een verhuurvergunning aanvraagt voor een woning in Leiden. De gemeente verleent de vergunning en brengt op grond van de Legesverordening een vast bedrag van € 938,50 aan leges in rekening, ongeacht het aantal woningen waarop de aanvraag ziet. De aanvraag van belanghebbende bestaat uit een digitaal formulier met drie bijlagen; er zijn geen aanvullende stukken gevraagd of locatiebezoeken uitgevoerd. In Leiden zijn in korte tijd honderden vergelijkbare aanvragen afgehandeld. Belanghebbende stelt dat de leges in strijd zijn met art. 13 lid 2 Richtlijn 2006/123/EG (Dienstenrichtlijn), omdat deze niet redelijk en evenredig zijn met de werkelijke kosten van de aanvraagprocedure en feitelijk hoger uitvallen dan in andere gemeenten. De gemeente voert aan dat het tarief is gebaseerd op een gemiddelde behandelduur van 10 uur per aanvraag, met personeels- en overheadkosten, en dat geen sprake is van overschrijding van de opbrengstlimiet of verboden kruissubsidiëring.
In geschil is of de in rekening gebrachte leges in strijd zijn met art. 13 lid 2 Dienstenrichtlijn.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraagprocedure onder de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn valt en dat belanghebbende rechtstreeks een beroep kan doen op art. 13 lid 2. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ mogen leges voor een vergunning niet hoger zijn dan de werkelijke kosten van de procedure en moeten zij een redelijke weergave zijn van de totale kosten, zonder ontmoedigend effect. De rechtbank acht de door de gemeente gehanteerde gemiddelde behandelduur van tien uur per aanvraag te hoog, gelet op de beperkte omvang van de aanvraag van belanghebbende en het grote aantal in korte tijd afgehandelde aanvragen. Ook acht de rechtbank het onredelijk dat voor eenvoudige aanvragen hetzelfde tarief geldt als voor complexe, omvangrijke aanvragen, waardoor de leges in individuele gevallen de werkelijke kosten overschrijden. De rechtbank concludeert dat de leges van € 938,50 niet redelijk en evenredig zijn met de kosten van de aanvraagprocedure en de kosten daarvan overschrijden, in strijd met art. 13 lid 2 Dienstenrichtlijn. Daarop vernietigt de rechtbank de aanslag.
(Beroep gegrond.)