Hof (civiel) kent forse schadevergoeding toe wegens onjuist belastingadvies

Hof (civiel) kent forse schadevergoeding toe wegens onjuist belastingadvies

Gegevens

Nummer
2026/793
Publicatiedatum
20 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1289
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Appellant, een internationaal bekende dj en muziekproducer, liet zich vanaf 2008 fiscaal adviseren door een belastingadviseur die namens een internationaal advocatenkantoor optrad. Het in 2008 gegeven advies hield, kort gezegd, in dat appellant vanuit Nederland naar de Verenigde Staten zou verhuizen zonder daar fiscaal inwoner te worden en dat daarnaast rechtspersonen in de Verenigde Staten, Cyprus en Guernsey zouden worden opgericht. Daarmee werd een internationale structuur opgezet waarin onder meer een Guernsey-trust een centrale rol vervulde.

Aan dit advies is uitvoering gegeven. Appellant emigreerde uit Nederland en bracht zijn zakelijke activiteiten en vermogensbestanddelen onder in de geadviseerde structuur. In 2012 overschreed hij de limiet van de Amerikaanse Substantial Presence Test (substantiële aanwezigheid), met als gevolg dat hij per 1 januari 2012 in de Verenigde Staten als fiscaal inwoner werd aangemerkt en daar belastingplichtig werd voor zijn wereldinkomen, waaronder het inkomen van de trust en het aan de trust toegerekende subpart F income van dochtervennootschappen. Dat laatste was in de Amerikaanse aangiften over de jaren 2012 tot en met 2017 niet verwerkt.

Nadat in 2018 nieuw Amerikaans advies was ingewonnen bij een ander advocatenkantoor, is vastgesteld dat de trust naar Amerikaans recht als grantor trust kwalificeerde en dat appellant het trustinkomen vanaf 2012 in zijn Amerikaanse aangiften had moeten opnemen. Vervolgens heeft appellant via de Streamlined Domestic Offshore Procedures gewijzigde aangiften ingediend en alsnog over 2016, 2017 en 2018 aanzienlijke bedragen aan Amerikaanse inkomstenbelasting en een boete betaald.

De rechtbank had geoordeeld dat het advocatenkantoor als opdrachtnemer toerekenbaar was tekortgeschoten, omdat de adviseur in 2012 en 2013 niet had gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend coördinerend belastingadviseur mocht worden verwacht. De rechtbank wees echter de concrete belastingschade af, omdat zij niet aannemelijk achtte dat appellant in de hypothetische situatie zonder beroepsfout andere keuzes zou hebben gemaakt.

In hoger beroep stond de vraag centraal of tussen de vastgestelde tekortkoming van het advocatenkantoor en de concrete belastingschade van appellant een causaal verband bestaat. Volgens het hof had de adviseur moeten zorgen voor voldoende en deugdelijk advies over de Amerikaanse fiscale gevolgen van overschrijding van de Substantial Presence Test, zodat appellant op basis daarvan had kunnen beslissen of hij deze wilde overschrijden. Het hof acht aannemelijk dat appellant bij juiste advisering zijn reis- en tourschema zodanig zou hebben aangepast dat hij onder de Amerikaanse limiet zou zijn gebleven. Het hof acht daarom een causaal verband aanwezig tussen de tekortkoming en de later betaalde Amerikaanse belasting en boete. Het advocatenkantoor wordt veroordeeld tot vergoeding van de belastingschade van appellant van ongeveer $ 17 miljoen, vermeerderd met wettelijke rente.

(Toekenning schadevergoeding.)