Factoringresultaat is geen rentebate voor earningsstrippingmaatregel

Factoringresultaat is geen rentebate voor earningsstrippingmaatregel

Gegevens

Nummer
2026/797
Publicatiedatum
21 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1081
Rubriek
Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende is een factoringsmaatschappij binnen een concern en neemt op non-recourse basis handelsvorderingen met een looptijd van maximaal negentig dagen over van groepsvennootschappen. De overname vindt plaats tegen de nominale waarde minus een factoring fee, bestaande uit een margin en een reference rate. Het verschil tussen de aankoopprijs en de uiteindelijke ontvangst op de vorderingen vormt het resultaat van belanghebbende. De inspecteur past de earningsstrippingmaatregel van art. 15b Wet Vpb 1969 toe en corrigeert het belastbare bedrag door een deel van de rentelasten niet in aftrek toe te staan, stellende dat het reference rate-onderdeel als rentebate kwalificeert. In geschil is of het reference rate-onderdeel van het resultaat uit factoringactiviteiten kwalificeert als rentebate ter zake van geldleningen in de zin van art. 15b lid 2 Wet Vpb 1969. Subsidiair is in geschil of het reference rate-onderdeel als rentebate moet worden aangemerkt omdat Nederland ATAD1 onjuist zou hebben geïmplementeerd. Het hof oordeelt, in lijn met de rechtbank, dat tussen belanghebbende en de groepsvennootschappen geen sprake is van een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. De factoringtransactie betreft een koop van handelsvorderingen waarbij de eigendom en het debiteurenrisico volledig overgaan op belanghebbende, zonder terugbetalingsverplichting of terbeschikkingstelling van een hoofdsom. Ook de relatie met de handelsdebiteuren levert geen geldlening op. De vorderingen zijn niet rentedragend indien binnen negentig dagen wordt betaald, zoals hier het geval is. Het hof verwerpt het standpunt dat de aangroei van de vorderingen tot nominale waarde als rentebate moet worden aangemerkt, nu geen sprake is van een geldlening met een vaste rente. Daarmee is naar nationaal recht geen sprake van rentebaten in de zin van art. 15b Wet Vpb 1969. Ten aanzien van ATAD1 overweegt het hof dat de richtlijndefinities expliciet verwijzen naar het nationale recht. Er is daarom geen sprake van een te beperkte implementatie van ATAD1 in de Wet Vpb 1969. Het door belanghebbende aangehaalde arrest van het HvJ (Commissie tegen België; ECLI:EU:C:2026:111) ziet op een andere bepaling en is niet relevant voor deze zaak.

(Hoger beroep ongegrond.)