Onjuiste toepassing afstandsverkopenregeling sluit vergoeding invorderingsrente uit

Onjuiste toepassing afstandsverkopenregeling sluit vergoeding invorderingsrente uit

Gegevens

Nummer
2026/798
Publicatiedatum
21 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1130
Rubriek
Omzetbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende, een bv die afstandsverkopen aan Belgische particulieren verricht, brengt over de jaren 2015 tot en met augustus 2018 Nederlandse omzetbelasting in rekening en draagt deze af. In alle jaren wordt de omzetdrempel van art. 5a Wet OB 1968 overschreden, waardoor de omzetbelasting in België verschuldigd is. De Belgische fiscus legt naheffingsaanslagen op, die belanghebbende betaalt. Vervolgens dient belanghebbende suppletieaangiften in Nederland in en vraagt de ten onrechte afgedragen omzetbelasting terug, welke verzoeken worden gehonoreerd. Belanghebbende verzoekt daarna om vergoeding van invorderingsrente over de teruggaaf, maar de ontvanger wijst dit af. De rechtbank kent de rentevergoeding toe, waarna de ontvanger hoger beroep instelt. In geschil is of belanghebbende op grond van art. 28c Iw 1990 recht heeft op vergoeding van invorderingsrente, in het bijzonder of de teruggegeven omzetbelasting als in strijd met het Unierecht geheven moet worden aangemerkt. Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat belanghebbende geen recht heeft op invorderingsrente. Het hof volgt het oordeel van het HvJ in het arrest Dinkelland (ECLI:EU:C:2024:147, NTFR 2024/1019), waarin is bepaald dat wanneer een belastingplichtige door eigen vergissing omzetbelasting afdraagt, deze niet in strijd met het Unierecht is geheven. Het hof acht van doorslaggevend belang dat de fout volledig aan belanghebbende te wijten is en niet aan de inspecteur. Het maakt daarbij geen verschil dat het in deze zaak om onterecht afgedragen omzetbelasting gaat en niet om niet in aftrek gebrachte voorbelasting. Beide situaties zijn voor de toepassing van art. 28c Iw 1990 gelijk. De verwijzing van belanghebbende naar andere arresten van het HvJ, zoals Irimie (ECLI:EU:C:2013:250) en Gräfendorfer (ECLI:EU:C:2022:306), leidt niet tot een ander oordeel. Omdat de teruggaven het gevolg zijn van een eigen vergissing van belanghebbende, kwalificeren deze niet als in strijd met het Unierecht geheven belasting en bestaat geen recht op rentevergoeding.

(Hoger beroep gegrond.)