Geen vrijstelling schenkbelasting omdat geen sprake is van een natuurlijke verbintenis

Geen vrijstelling schenkbelasting omdat geen sprake is van een natuurlijke verbintenis

Gegevens

Nummer
2026/800
Publicatiedatum
21 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1128
Rubriek
Successiewet
Relevante informatie

Belanghebbende woont in België en heeft een latrelatie gehad met de inmiddels overleden heer X. Zij heeft nooit met hem samengewoond. Na het overlijden van X sluiten zijn twee zoons, als enige erfgenamen, met belanghebbende een vaststellingsovereenkomst. Hierin verklaren zij uit morele overwegingen € 500.000 aan belanghebbende te schenken, omdat X volgens hen de wens had om in haar verzorging te voorzien, maar dit niet in zijn testament heeft vastgelegd. Belanghebbende doet voor deze schenkingen een beroep op de vrijstelling van art. 33 aanhef en onder 12° SW, stellende dat sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in art. 6:3 BW. De inspecteur weigert de vrijstelling toe te passen. In geschil is of de schenkingen van de zoons aan belanghebbende zijn vrijgesteld van schenkbelasting omdat zij strekken tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een vrijgestelde schenking. Het hof overweegt dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat de schenkingen zijn gedaan ter nakoming van een natuurlijke verbintenis van de overledene. Zelfs als het handgeschreven briefje van de overledene als uiting van een verzorgingswens wordt gezien, blijkt niet dat hij zijn zoons heeft opgedragen deze wens na te leven of dat sprake is van een afdwingbare of naar maatschappelijke opvattingen als verplichting te kwalificeren morele verplichting. Ook een natuurlijke verbintenis van de zoons jegens belanghebbende acht het hof niet aannemelijk. De enkele wens van hun vader of de vaststellingsovereenkomst is daarvoor onvoldoende. Doorslaggevend is of de zoons zelf een dringende morele verplichting jegens belanghebbende ervaren, hetgeen niet blijkt uit de feiten. Het hof verwijst naar HR 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2931) en HR 9 juni 1982 (ECLI:NL:HR:1982:AC0908) en benadrukt dat de beoordeling objectief moet plaatsvinden. Het bestaan van een natuurlijke verbintenis kan niet enkel worden aangenomen op basis van subjectieve inzichten of piëteit voor de overledene. Omdat geen natuurlijke verbintenis is vastgesteld, is de vrijstelling van art. 33 aanhef en onder 12° SW niet van toepassing.

(Hoger beroep ongegrond.)