Belanghebbende heeft veel te laag forfaitair rendement aanmerkelijk belang aangegeven

Belanghebbende heeft veel te laag forfaitair rendement aanmerkelijk belang aangegeven

Gegevens

Nummer
2026/831
Publicatiedatum
28 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:2717
Rubriek
Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
Relevante informatie

Belanghebbende, woonachtig in het buitenland, houdt sinds 2009 alle aandelen in een nv die op haar beurt minderheidsbelangen heeft in buitenlandse vennootschappen actief in online kansspelen. In de jaren 2009-2012 ontvangt de nv aanzienlijke dividenden van deze deelnemingen. In 2012 emigreert belanghebbende opnieuw en geeft in zijn aangifte IB/PVV 2012 een voordeel uit aanmerkelijk belang aan van € 421.000, gebaseerd op het eigen vermogen van de nv, waarbij de deelnemingen op nominale waarde zijn gewaardeerd. De inspecteur corrigeert dit en stelt het voordeel uit aanmerkelijk belang vast op € 1.525.365, uitgaande van een hogere waarde in het economische verkeer van de aandelen, mede gebaseerd op een latere verkooptransactie en marktgegevens. De rechtbank vermindert de aanslag tot een voordeel van € 1.209.282, omdat de schatting van de inspecteur niet redelijk zou zijn.

In geschil is of de aanslag IB/PVV 2012 tot een te hoog bedrag is opgelegd. Het hof oordeelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, omdat hij de deelnemingen structureel op nominale waarde heeft gewaardeerd, terwijl uit ontvangen dividenden, interne correspondentie en een latere verkooptransactie blijkt dat de werkelijke waarde aanzienlijk hoger lag. Hierdoor is de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting, en was belanghebbende zich hiervan bewust, mede via zijn belastingadviseur. Het hof past daarom omkering en verzwaring van de bewijslast toe. De inspecteur heeft de waarde van de aandelen in de nv onderbouwd met marktgegevens, ontvangen dividenden en de verkoopprijs uit 2014, en een multiplier die in lijn is met marktontwikkelingen. Het hof acht deze schatting redelijk en niet willekeurig. Belanghebbende slaagt er niet in overtuigend aan te tonen dat de schatting of de gebruikte gegevens onjuist zijn, mede omdat zijn tegenrapport geen eigen waardering bevat en zijn stellingen over marktontwikkelingen onvoldoende zijn onderbouwd. Anders dan de rechtbank volgt het hof de inspecteur en blijft de aanslag in stand. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat de vertraging grotendeels aan belanghebbende is toe te rekenen.

(Hoger beroep ongegrond.)