Geen teruggaaf dividendbelasting aan Canadese trust wegens commerciële arbitrageactiviteiten

Geen teruggaaf dividendbelasting aan Canadese trust wegens commerciële arbitrageactiviteiten

Gegevens

Nummer
2026/815
Publicatiedatum
26 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1262
Rubriek
Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende is een naar Canadees recht ingestelde trust die volgens de trustakte voorziet in de uitvoering van pensioenregelingen van werknemers. In de relevante jaren heeft belanghebbende één deelnemer, waarbij alleen de werkgever verplicht bijdraagt aan het pensioen. Belanghebbende sluit een samenwerkingsovereenkomst met een asset manager uit dezelfde groep als de uiteindelijk gerechtigde, en verricht omvangrijke (arbitrage)effectenhandel, waarbij aanzienlijke bedragen worden beheerd en hoge kosten worden gemaakt. In 2014 en 2015 wordt namens belanghebbende teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting gevraagd en verkregen, maar na onderzoek legt de inspecteur naheffingsaanslagen op. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond .

In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting op grond van art. 10 lid 3 Wet DB, met name of hij, ware hij in Nederland gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting als pensioenfonds. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf. Het hof stelt vast dat belanghebbende feitelijk een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft, waarbij de doelstelling niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds is en niet wordt voldaan aan de werkzaamhedentoets van art. 3 Uitv besl Vpb. Daarbij verwijst het hof naar de vergelijkbare casus van een stichting waarin de Hoge Raad reeds oordeelde dat dergelijke arbitrageactiviteiten niet passen bij een vrijgesteld pensioenlichaam. Het hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende, indien in Nederland gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Ook het Unierecht staat naheffing niet in de weg. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zwaardere belastingdruk dan bij een vergelijkbare binnenlandse belastingplichtige. Voorts mag de inspecteur op grond van art. 20 lid 2 AWR naheffen bij degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Het hof oordeelt dat belanghebbende de inspecteur onvoldoende heeft geïnformeerd over de feitelijke (arbitrage)activiteiten, waardoor de inspecteur niet in staat was het verzoek op fiscale merites te beoordelen.

(Hoger beroep ongegrond.)