Beroep fictieve weigering niet, maar ingebrekestelling wel onredelijk laat gedaan
Beroep fictieve weigering niet, maar ingebrekestelling wel onredelijk laat gedaan
Gegevens
- Nummer
- 2026/820
- Publicatiedatum
- 27 mei 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende maakt bezwaar tegen een WOZ-beschikking. Het bezwaarschrift is op 11 maart 2024 ingediend, waarna de heffingsambtenaar uiterlijk op 31 december 2024 had moeten beslissen. Nadat belanghebbende op 19 september 2025 een ingebrekestelling heeft gestuurd, dient hij op 6 februari 2026 beroep in wegens het uitblijven van een beslissing. De heffingsambtenaar heeft hierop geen verweer gevoerd en geen stukken ingediend.
In geschil is of het beroep ontvankelijk en gegrond is, en of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, omdat het niet onredelijk laat is ingediend. Het is namelijk ingediend binnen een jaar nadat de heffingsambtenaar in gebreke was een besluit te nemen. Nu niet is gebleken dat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is het beroep gegrond. De rechtbank draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken alsnog te beslissen en bepaalt dat een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden. Belanghebbende heeft echter geen recht op een dwangsom over de periode van vóór deze uitspraak. De ingebrekestelling is namelijk onredelijk laat ingediend, omdat belanghebbende pas zes maanden na het laatste contact met de heffingsambtenaar en ruim negen maanden na het verstrijken van de beslistermijn in gebreke heeft gesteld.
(Beroep gegrond.)