Scheidingsregeling niet van toepassing indien geen sprake is van eigendom

Scheidingsregeling niet van toepassing indien geen sprake is van eigendom

Gegevens

Nummer
2022/468
Publicatiedatum
19 april 2022
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:360
Rubriek
Eigenwoningregeling
Relevante informatie
Art. 3.111, Wet IB 2001

A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de zogenoemde scheidingsregeling van art. 3.111, lid 4, Wet IB 2001. Moet een vertrekkende partner die de woning niet meer bewoont, wil hij toch de eigenwoningregeling nog toepassen, een vorm van eigendom van de woning bezitten?

Belanghebbende was buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd met zijn ex-echtgenote. Hij en zijn ex-echtgenote woonden in een woning, welke geheel in eigendom was van de ex-echtgenote. Per 1 december 2013 heeft belanghebbende zich uitgeschreven van het adres van de woning. De ex-echtgenote woonde het gehele jaar 2013 in de woning. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hebben niet gekozen voor het voljaarspartnerschap zoals bedoeld in art. 2.17, lid 7, Wet IB 2001. Belanghebbende en de ex-echtgenote zijn hoofdelijk schuldenaar. Belanghebbende heeft in 2013 de volledige hypotheekrente voor de woning betaald.

Hof Den Bosch 4 februari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2020:347, NTFR 2021/981, heeft geoordeeld dat het fiscaal partnerschap per 1 december 2013 is geëindigd. Het hof heeft geoordeeld dat de tekst van art. 3.111, lid 4, Wet IB 2001 geen steun biedt voor de opvatting dat hypotheekrenteaftrek alleen kan worden verleend indien, na het einde van het fiscaal partnerschap, de belastingplichtige (mede)eigenaar is van de woning. Het vereiste van eigendom staat niet in de wettekst en lid 4 bepaalt niet dat de vereisten van lid 1, onderdeel a, onverkort van toepassing zijn, aldus het hof. Ook de strekking en de wetsgeschiedenis van de regeling bieden volgens het hof geen steun voor een dergelijke opvatting. Het middel richt zich tegen deze overwegingen van het hof.

A-G Niessen meent dat het maken van een inbreuk op de hoofdregel dat in de eigenwoningregeling gewoonlijk wordt aangesloten bij de (economische) eigendom, hierin een rechtvaardiging kan vinden dat de overbruggingsperiode zich kenmerkt door een bepaalde mate van onzekerheid en onduidelijkheid omtrent de toebedeling van de eigendom. Met het oog daarop kan het volgens de advocaat-generaal wenselijk zijn om tijdelijk niet aan te sluiten bij de eigendomsverhouding en aan te nemen dat sprake is van een fictieve eigen woning, indien belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk ter beschikking staat.

Het argument dat de wetgever wilde afwijken van de formele eigendomsregeling, is niet in tekst of toelichting tot uitdrukking gebracht. En de omstandigheid dat in de leden 2, 3 en 6 van art. 3.111 wordt verwezen naar ‘een eigen woning als bedoeld in het eerste lid’, heeft volgens de advocaat-generaal weinig betekenis. Het eerste argument daarvoor is dat de leden 4 en 5 tot stand zijn gekomen bij de Derde Nota van wijziging en dus niet meeliepen bij het opzetten van de oorspronkelijk tekst. Dogmatisch gezien heeft dit argument geen waarde, maar het kan een louter tekstueel verschil wel verklaren.

Essentieel is volgens de advocaat-generaal dat het hof met belanghebbende de tekst van art. 3.111, lid 4 in verbinding met lid 1 verkeerd leest. Het eerste lid zegt uitdrukkelijk wat in ‘deze afdeling’ wordt verstaan onder ‘eigen woning’. Het gaat dan dus niet aan om in lid 4 te lezen dat de eis van eigendom vervalt omdat deze daar niet wordt herhaald. Lid 4 bepaalt louter dat voor de eigenaar/belastingplichtige onder daar gestelde voorwaarden de bewoningseis vervalt. Hieruit volgt dat belanghebbende een vorm van eigendom dient te bezitten om voor toepassing van art. 3.111, lid 4, Wet IB 2001 in aanmerking te komen.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard.