Home

Geen onrechtmatigheid bij navorderingsaanslag, geen kostenvergoeding

Geen onrechtmatigheid bij navorderingsaanslag, geen kostenvergoeding

Gegevens

Nummer
2022/1373
Publicatiedatum
23 november 2022
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:6322
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie
Art. 16 AWR, Art. 7:15 Awb, Art. 8:88 Awb

Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2015 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.042. De aanslag is opgelegd conform de aangifte. Op 6 december 2018 verzoekt de inspecteur aan belanghebbende om bewijsstukken omtrent de specifieke zorgkosten te overleggen. Op 21 december 2018 reageert gemachtigde dat al een definitieve aanslag is opgelegd en dat belanghebbende ervan uitgaat dat de aangifte is beoordeeld. Op 19 maart 2019 stuurt de inspecteur zijn voornemen om een navorderingsaanslag op te leggen. Gemachtigde mag op dit voornemen reageren. Op 19 mei 2019 heeft de inspecteur zijn verzoek om bewijsstukken herhaald. Gemachtigde heeft hierop niet gereageerd. Bij brief van 31 juli 2019 heeft de inspecteur aangegeven de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten te corrigeren. Gemachtigde mag op dit voornemen reageren. Gemachtigde geeft aan dat hij zich niet met het voornemen kan verenigen, maar stuurt geen bewijsstukken toe. De inspecteur legt de navorderingsaanslag op. In bezwaar komt gemachtigde met bewijsstukken. De inspecteur concludeert op basis van de stukken tot een lagere navorderingsaanslag. Omdat de resterende correctie onder de grens van het correctiebeleid blijft, vernietigt de inspecteur de navorderingsaanslag. Het verzoek om kostenvergoeding wordt afgewezen. In geschil is of dat terecht is. Belanghebbende stelt dat geen navorderingsaanslag opgelegd had mogen worden omdat al sinds 2015 een verscherpte controle was op de papieren aangiftes van deze gemachtigde.

De rechtbank oordeelt dat grond is voor een kostenvergoeding indien het besluit is herroepen wegens een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank oordeelt dat het voor de inspecteur niet redelijkerwijs kenbaar was dat de aangifte niet juist was. De nadere informatie over gemachtigde was aanleiding te twijfelen over de aangifte. De inspecteur heeft bij de aanslagregeling meerdere malen om informatie gevraagd en gemachtigde heeft slechts eenmaal gereageerd dat hij zich niet met het standpunt kon verenigen. Pas in de bezwaarfase, na ontvangst van de stukken, is komen vast te staan dat ten onrechte een navorderingsaanslag is opgelegd. Gelet op de gang van zaken is het vernietigen van de aanslag niet te wijten aan een onrechtmatigheid van de inspecteur. Er is geen grond voor een kostenvergoeding. Ook het verzoek om een immateriëleschadevergoeding wordt door de rechtbank afgewezen. De navorderingsaanslag is reeds op 19 januari 2021 vernietigd en daarmee is een einde gekomen aan de termijn die in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling in hoeverre de redelijke termijn is overschreden. Gelet daarop is de redelijke termijn niet overschreden.

(Beroep ongegrond.)