Feiten aangifte 2018 kunnen niet dienen als beboetbare feiten voor de naheffing 2016

Feiten aangifte 2018 kunnen niet dienen als beboetbare feiten voor de naheffing 2016

Gegevens

Nummer
2023/171
Publicatiedatum
9 februari 2023
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:663
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende, X bv, doet in overnames van voorraden en inventarissen van failliete ondernemingen. In 2016 heeft zij met de curatoren van drie failliete vennootschappen activa-overeenkomsten gesloten op grond waarvan er handelsvoorraden in 2016 namens X bv zijn verkocht. Belanghebbende heeft daarvoor in 2016 voorschotbetalingen ontvangen. De definitieve afrekeningen zijn in 2018 ontvangen. X bv betrekt die omzet in haar aangifte voor het tweede kwartaal 2018, waarbij ze volgens de inspecteur ten onrechte voor een deel daarvan een beroep doet op de margeregeling. De inspecteur legt daarvoor een naheffingsaanslag over 2016 op met een boete van 25%. Deze boete is gebaseerd op art. 67f AWR. De inspecteur verwijt belanghebbende grove schuld met betrekking tot het niet tijdig betalen van de omzetbelasting met betrekking tot de ten onrechte toegepaste margeregeling. Tussen partijen is niet in geschil dat het over 2016 nageheven bedrag van € 674.678 aan omzetbelasting in 2016 verschuldigd is geworden en niet (tijdig) is betaald. De verschuiving van de afdracht van omzetbelasting voor de in 2016 gegenereerde omzet naar de aangifte van het tweede kwartaal 2018 heeft de inspecteur expliciet niet gecorrigeerd of beboet. De grondslag van de boete staat daarmee volgens het hof vast. Op de inspecteur rust de last overtuigend aan te tonen dat sprake is van de voor de kwalificatie ‘grove schuld’ vereiste feiten en omstandigheden, te beoordelen naar het tijdstip waarop de belasting diende te worden voldaan, te weten in 2016 en niet zoals de inspecteur bepleit het tweede kwartaal 2018. De inspecteur voert het ten onrechte toepassen van de margeregeling als beboetbaar feit aan, een feit dat zich pas in 2018 ten tijde van het indienen van de aangifte over het tweede kwartaal heeft voorgedaan en niet in 2016. De inspecteur voldoet niet aan zijn bewijslast, zodat het hof de vergrijpboete van € 67.467 vernietigt.

(Hoger beroep gegrond.)