Hof handelt zaken clustergewijs af: algemene, onsamenhangende gronden slagen niet, maar geen beperking ISV

Hof handelt zaken clustergewijs af: algemene, onsamenhangende gronden slagen niet, maar geen beperking ISV

Gegevens

Nummer
2026/198
Publicatiedatum
9 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:8322
Rubriek
WOZ
Relevante informatie

Belanghebbende is een van de cliënten in een cluster van WOZ-zaken waarin dezelfde gemachtigde optreedt tegen waardebeschikkingen en belastingaanslagen van verschillende gemeentes. De zaken zijn gebundeld behandeld vanwege nagenoeg gelijkluidende geschilpunten en het sterk repetitieve karakter van de procesvoering door de gemachtigde. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en kent een beperkte vergoeding toe voor immateriële schade en griffierecht. In hoger beroep is in geschil of de waardebeschikkingen en/of belastingaanslagen juist zijn vastgesteld, en of de rechtbank juist heeft beslist over de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.

Ten eerste worden diverse formele grieven van de gemachtigde behandelt. Het hof beslist dat de zaak niet wordt aangehouden of wordt heropend. Dat de schoonmaker van gemachtigde dossiers heeft weggegooid valt in zijn eigen risicosfeer en dat de beeldverbinding tijdens de zitting ernstig verstoord was, is niet gebleken. Voorts zijn naar het oordeel van het hof de procesdossiers compleet. Dat belanghebbende geen (onbeschadigde) excelbestanden kan openen, komt voor zijn rekening.

In hoger beroep krijgt de gemachtigde de gelegenheid om concrete gronden aan te voeren, maar de ingediende stukken blijven algemeen en onsamenhangend. Het hof oordeelt dat de gemachtigde niet procedeert zoals van een professioneel rechtsbijstandverlener mag worden verwacht. De gronden bestaan uit onsamenhangende en algemene stellingen die niet concreet zijn toegesneden op de feiten en omstandigheden van een zaak. Het hoger beroep slaagt op dit punt niet.

Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de vergoeding van immateriële schade en proceskosten betreft, en volgt daarbij de uitgangspunten uit zijn eerdere uitspraak van 24 juni 2025 (NTFR 2025/1228) en het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2025 (NTFR 2025/1377 ). Het hof oordeelt dat, ondanks het procesgedrag van de gemachtigde, geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die rechtvaardigen dat geen spanning en frustratie wordt verondersteld bij belanghebbende. De redelijke termijn is overschreden, zodat een hogere vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend dan de rechtbank heeft gedaan. Voor de proceskosten in beroep wordt een vergoeding vastgesteld op basis van het gewicht van de zaak, en aanvullend wordt een vergoeding toegekend voor de gegrond verklaarde verzetsprocedure. De proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op de clustergewijze afdoening, gematigd vastgesteld.

(Hoger beroep gegrond.)