Voetbalkaarten zijn loon in natura omdat zakelijk karakter niet is aangetoond
Voetbalkaarten zijn loon in natura omdat zakelijk karakter niet is aangetoond
Gegevens
- Nummer
- 2026/200
- Publicatiedatum
- 9 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Arbeid, loon en resultaat
- Relevante informatie
Belanghebbende is een bv die actief is in de schoonmaakbranche. Zij beschikt in 2019-2020 over twee seizoenkaarten van Ajax en 22 kaarten voor Ajax–Juventus. Belanghebbende stelt dat de kaarten acquisitiemiddelen zijn om (potentiële) klanten mee te nemen en in het stadion nieuwe contacten te leggen die tot omzet leiden en beklemtoont het zakelijke belang van de aanwezigheid van haar middellijk aandeelhouder, dan wel werknemers. De inspecteur voert aan dat kaarten aan werknemers en de middellijk aandeelhouder zijn en dat elke registratie van gebruik en doel ontbreekt. Niet duidelijk is geworden welke wedstrijden zijn bezocht met klanten, dan wel potentiële klanten en welke wedstrijden enkel door de middellijk aandeelhouder en/of werknemers in de privésfeer zijn bezocht. De inspecteur legt daarom een naheffingsaanslag loonheffingen 2019 op met een verzuimboete.
In geschil is of de verstrekking van de voetbalkaarten loon in natura vormt en of belanghebbende zich met succes kan beroepen op het gelijkheidsbeginsel en op het ontbreken van een beboetbaar verzuim (wegens pleitbaar standpunt of avas).
De rechtbank verwijst naar de loon- en waarderingsbepalingen van de art. 10 en 13 Wet LB. Zij acht aannemelijk dat het bezoeken van voetbalwedstrijden in hoge mate een recreatief karakter heeft en gaat er daarom van uit dat werknemers die een wedstrijd bezoeken dit doen uit persoonlijke behoeftebevrediging; dan is het aan belanghebbende om het zakelijke karakter te onderbouwen. Belanghebbende slaagt daar niet in, omdat zij niet inzichtelijk maakt wie welke kaarten gebruikt en of dat zakelijk of privé is, en haar verklaringen niet met bewijsstukken staaft. Het argument dat tijdens wedstrijden nieuwe zakelijke contacten ontstaan, neemt het consumptieve karakter niet weg. De kaarten vormen daarom loon in natura. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat belanghebbende slechts één mogelijk vergelijkbaar geval noemt en niet aannemelijk maakt dat daar geen heffing plaatsvindt, zodat van een meerderheid geen sprake is. Voor de verzuimboete geldt dat bij een terecht opgelegde naheffingsaanslag sprake is van een verzuim als bedoeld in art. 67c AWR. Van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld is geen sprake, mede omdat elke administratie over het gebruik van de kaarten ontbreekt. Wel is de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM met circa acht maanden overschreden, zodat de boete ambtshalve met 10% wordt verminderd.
(Beroep ongegrond.)