Boekenonderzoek van begin 2014 wekte gerechtvaardigd vertrouwen dat btw-aftrek zou worden toegestaan

Boekenonderzoek van begin 2014 wekte gerechtvaardigd vertrouwen dat btw-aftrek zou worden toegestaan

Gegevens

Nummer
2025/117
Publicatiedatum
22 januari 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:22321
Rubriek
Omzetbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende is aannemer. Voor de feitelijke bouwwerkzaamheden schakelt zij andere aanneembedrijven in. Deze aanneembedrijven hebben aanzienlijke bedragen aan omzetbelasting niet aangegeven, ten onrechte in vooraftrek gebracht en onbetaald gelaten. Begin 2014 heeft de inspecteur een derdenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. In het daartoe opgemaakte rapport deelt de inspecteur aan belanghebbende mee dat zij geen recht op aftrek van ten onrechte gefactureerde omzetbelasting heeft, omdat de verlegginsregeling van toepassing is, maar dat de inspecteur onder voorwaarden toch aan belanghebbende gefactureerde omzetbelasting in aftrek accepteert. Vervolgens heeft er in 2017 een boekenonderzoek bij belanghebbende plaatsgevonden, waarna de inspecteur naheffingsaanslagen omzetbelasting heeft opgelegd en een vergrijpboete. In geschil is of de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Belanghebbende beroept zicht op het vertrouwen dat bij haar is gewekt door hetgeen rond het boekenonderzoek van begin 2014 is besproken. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur met de passage uit dat rapport het rechtens te beschermen vertrouwen gewekt dat de verlegginsregeling buiten toepassing wordt gelaten ter zake van de tot de datum van het rapport door onderaannemers aan haar in rekening gebrachte bedragen. De toezegging is weliswaar in strijd met het gestelde in art. 24b Uitv.besl. OB 1968, maar gelet op het doel en de strekking van de bepaling is zij niet zozeer in strijd daarmee dat zij niet rechtens te beschermen vertrouwen heeft kunnen wekken. Art. 24b Uitv.besl. OB 1968 heeft hetzelfde doel als art. 35 Iw 1990, kort gezegd het bestrijden van misstanden die zich bij onderaanneming kunnen voordoen. Art. 35 Iw 1990 voorziet daartoe in hoofdelijke aansprakelijkheid van door de onderaannemer verschuldigde loonbelasting. Aanvankelijk was ook voor de omzetbelasting voorzien in zodanige hoofdelijke aansprakelijkheid, maar omdat het systeem van de zgn. G-rekening voor de omzetbelasting niet op verantwoorde wijze kon worden toegepast is in plaats daarvan gekozen voor verlegging. Bij de toezegging van de inspecteur, met het daaraan verbonden voorbehoud, werkt de verleggingsregeling uit als aansprakelijkheid voor door de onderaannemer onbetaald gelaten omzetbelasting. De toezegging is aldus in lijn met wat de wetgever met de bepaling voor ogen had en is daarmee niet zozeer in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende daar niet op heeft mogen vertrouwen.

(Beroepen gegrond.)