A-G Koopman: Partiële omkering van bewijslast bij inhoudelijke gebreken in de aangifte

A-G Koopman: Partiële omkering van bewijslast bij inhoudelijke gebreken in de aangifte

Gegevens

Nummer
2025/274
Publicatiedatum
14 februari 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:130
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

De aanleiding om in deze zaak conclusie te nemen is de vraag aan de hand van welke criteria moet worden beoordeeld of de vereiste aangifte is gedaan en hoe de omkering van de bewijslast moet plaatsvinden bij aangiften die zogenoemde inhoudelijke gebreken vertonen. In HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767, NTFR 2022/2079 (het trustvraagarrest) heeft de Hoge Raad een nieuw beoordelingskader geïntroduceerd om te beoordelen of de vereiste aangifte is gedaan en zo nee, of en hoe de omkering van de bewijslast moet plaatsvinden. A-G Koopman gaat in op dit nieuwe beoordelingskader. Hij onderzoekt welke elementen in ieder geval nieuw zijn in het trustvraagarrest en welke reikwijdte aan het trustvraagarrest kan worden toegekend. De A-G komt tot de slotsom dat het trustvraagarrest onduidelijkheid laat over de vraag hoe de vereiste aangifte en de omkering van de bewijslast moet worden beoordeeld bij inhoudelijke gebreken. In een ‘verlanglijstje’ geeft hij de Hoge Raad vijf kwesties mee die zijns inziens opgehelderd zouden kunnen worden.

Het eerste middel bestrijdt het oordeel van hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:1586) dat de inspecteur een navorderingsaanslag kon opleggen. De A-G meent dat het middel faalt. Volgens het middel heeft het hof miskend dat het aankondigen van een uitbreiding van een boekenonderzoek niet betekent dat correcties worden opgelegd en van de aangifte wordt afgeweken. Zijns inziens is voor toepassing van art. 16(2)(c) AWR voldoende dat kenbaar was dat er bij die geautomatiseerde verwerking een fout is gemaakt en dat de inspecteur niet kan hebben bedoeld nu al deze aanslag op te leggen. Voorts betoogt belanghebbende dat het hof ten onrechte de 30%-regel niet heeft toegepast naar de kennis en wetenschap op het moment van het opleggen van de aanslag. Dit kenbaarheidsvermoeden zou echter geen praktische betekenis hebben als alleen acht zou mogen worden geslagen op wat ten tijde van de bekendmaking van de aanslag kenbaar was. Belanghebbende miskent dat de idee van de 30%-fictie is dat de kenbaarheid van de fout bij wege van fictie wordt verondersteld.

Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de bewijslast voor de gehele aanslag moet worden omgekeerd en verzwaard. Zoals de A-G uiteen heeft gezet in de gemeenschappelijke bijlage (ECLI:NL:PHR:2025:200), behoort de omkering van de bewijslast ook partieel te worden toegepast in een geval waarin de vereiste aangifte niet is gedaan omdat die aangifte aanzienlijk te laag is. Hij geeft de Hoge Raad daarom in overweging het middel te laten slagen voor zover het opkomt tegen het oordeel van het hof dat de omkering van de bewijslast betrekking heeft op de gehele aanslag.

Het derde middel komt op tegen het oordeel van het hof dat belanghebbende niet is geslaagd in de zwaardere bewijslast. Voor zover het middel voortborduurt op de stelling dat uit het Renpaardenarrest volgt dat de zakelijkheid van bedragen die aan derden zijn betaald een gegeven is, wordt het tevergeefs voorgesteld. Zijns inziens leent het derde middel zich voor afdoening met art. 81 Wet RO.

A-G Koopman komt tot de slotsom dat alleen het tweede middel ten dele slaagt en dat de middelen voor het overige falen. Hij geeft de Hoge Raad in overweging om ten behoeve van de rechtsontwikkeling in een algemene vooropstelling in te gaan op de rechtsvragen opgenomen in het ‘verlanglijstje’ in de gemeenschappelijk bijlage bij deze conclusie.

Deze samenvatting ziet ook op conclusie A-G Koopman 14 februari 2025, nr. 24/02200, ECLI:NL:PHR:2025:131.