NTFR Beschouwingen 2014/12 - Grensoverschrijdende inbreng
Aflevering 3, gepubliceerd op 27-03-2014 geschreven door prof.dr. P. KavelaarsDe Hoge Raad heeft in diens arrest van 13 december 2013 HR 13 december 2013, nr. 12/02977, NTFR 2014/329, met commentaar van Van Es. beslist dat de zogenoemde achtste standaardvoorwaarde (svw) bij de geruisloze inbreng als bedoeld in art. 3.65 Wet IB 2001 niet in strijd is met het EU-recht. Deze achtste svw bewerkstelligt dat de box 1-claim bij een geruisloze inbreng in een kapitaalvennootschap door een buitenlands belastingplichtige niet verloren kan gaan door met name verdragstoepassing. Dit is geëffectueerd door ter zake van een deel van die claim – te weten het aanmerkelijkbelangdeel – een conserverende aanslag op te leggen die niet na tien jaren vervalt. Dit is dus anders dan het gebruikelijke systeem van conserverende aanslagen bij grensoverschrijdende situaties betreffende een aanmerkelijk belang (en ook bij pensioenen en lijfrenten), te weten bij emigratie (art. 4.16, lid 1, onderdeel h, Wet IB 2001) en bij zetelverplaatsing door een buitenlands belastingplichtige met een aanmerkelijkbelang in een in Nederland gevestigde kapitaalvennootschap (art. 7.5, lid 7, Wet IB 2001). In deze Beschouwing ga ik op het desbetreffende arrest in. Ik kom tot de conclusie dat de beslissing van de Hoge Raad, ten minste in die zin, onjuist is dat prejudiciële vragen hadden moeten worden gesteld nu hier stellig sprake is van een EU-rechtelijk vraagstuk en niet gezegd kan worden dat het antwoord in termen van het EU-recht op de in geding zijnde vraag op voorhand helder is (geen acte claire, noch een acte éclairé).