Home

Successiewet 1956

Geldig van 1 januari 2009 tot 1 januari 2010
Geldig van 1 januari 2009 tot 1 januari 2010

Successiewet 1956

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-01-2009 tot 01-01-2010]

Aanhef

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gebleken de wettelijke regeling betreffende de heffing van de rechten van successie, van overgang en van schenking, welke thans voorkomt in de wet van 13 Mei 1859, Staatsblad no. 36 (Successiewet), zoals die wet nader is gewijzigd en aangevuld, aan een technische herziening te onderwerpen en in verband daarmede de geldende wet door een andere te vervangen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Grondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht

Artikel 1

1.

Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:

  1. 1°.

    recht van successie van de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand, die ten tijde van dat overlijden binnen het Rijk woonde;

  2. 2°.

    recht van overgang van de waarde van het in artikel 5, tweede lid, nader omschrevene, verkregen krachtens schenking, of krachtens erfrecht door het overlijden, van iemand, die ten tijde van die schenking of van dat overlijden niet binnen het Rijk woonde;

  3. 3°.

    recht van schenking van de waarde van al wat door schenking wordt verkregen van iemand, die ten tijde van die schenking binnen het Rijk woonde.

2.

Onder verkrijging krachtens erfrecht wordt voor de toepassing van deze wet mede verstaan de verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het overlijden van de erflater indien die verkrijging rechtstreeks verband houdt met de omstandigheid dat de erflater die of dergelijke vergunningen en aanspraken bezat, alsmede de verkrijging ingevolge een overeenkomst met betrekking tot rentevergoeding als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek indien een dergelijke rentevergoeding binnen de met inachtneming van artikel 45 vastgestelde aangiftetermijn wordt overeengekomen. Hetgeen wordt verkregen krachtens de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van deze wet niet aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht.

3.

Onder schenking wordt voor de toepassing van deze wet verstaan de gift, bedoeld in artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover artikel 13 niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Onder schenking wordt niet begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris, noch de bevoordeling als gevolg van het afzien door de echtgenoot van een wettelijke verdeling van de nalatenschap op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

4.

Indien de waarde van het in artikel 5, tweede lid, omschrevene, 90% of meer uitmaakt van hetgeen krachtens deze wet zou worden belast met het recht van successie in het geval de erflater binnen het Rijk zou hebben gewoond, wordt op gezamenlijk verzoek van alle verkrijgers uit die nalatenschap de erflater ten tijde van het overlijden geacht binnen het Rijk te hebben gewoond. Indien de waarde van het in artikel 5, tweede lid, omschrevene, 90% of meer uitmaakt van hetgeen krachtens deze wet zou worden belast met het recht van schenking in het geval de schenker binnen het Rijk zou hebben gewoond, wordt op verzoek van de verkrijger de schenker ten tijde van de schenking geacht binnen het Rijk te hebben gewoond. Bij de toepassing van de tweede volzin zijn de artikelen 27 en 28 van overeenkomstige toepassing.

5.

Indien ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het bepaalde in afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek geldvorderingen of wilsrechten opkomen, worden die voor de toepassing van deze wet op dezelfde wijze behandeld als de geldvorderingen en wilsrechten, bedoeld in artikel 13, derde lid, onderscheidenlijk de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 2

1.

De buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, alsmede zijn niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot en de eigen kinderen en stiefkinderen die jonger dan 27 jaar zijn en in belangrijke mate door hem worden onderhouden in de zin van artikel 1.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden geacht binnen het Rijk te wonen. De vorige volzin blijft buiten toepassing ten aanzien van de aldaar bedoelde Nederlander, echtgenoot en kinderen:

  1. indien die Nederlander buiten het Rijk werkzaam is in het land waar hij is aangeworven, tenzij hij militair is;

  2. indien die Nederlander militair is en bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald, dat hij geacht wordt blijvend buiten het Rijk werkzaam te zijn.

2.

In geval van schenking door een rechtspersoon wordt de plaats, waar de schenker is gevestigd, als zijn woonplaats aangemerkt.

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13a

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Hoofdstuk II. Bepaling van het belastbaar bedrag

Artikel 21

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 23

Hoofdstuk III. Tarief; berekening van het recht; vrijstellingen

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 31a

Artikel 32

Artikel 32a

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

Artikel 35a

Hoofdstuk IIIA. Bedrijfsopvolging

Artikel 35b

Artikel 35c

Hoofdstuk IV. Aangifte, aanslag en conserverende aanslag

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 38

Artikel 39

Artikel 40

Artikel 41 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48 [Vervallen per 01-01-1985]

Hoofdstuk V

Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 51 [Vervallen per 01-01-1985]

Hoofdstuk VI. Navordering

Artikel 52

Hoofdstuk VII. Vermindering

Artikel 53

Artikel 53a

Artikel 53b

Artikel 53c

Hoofdstuk VIII. Bezwaar en beroep

Artikel 54

Artikel 55 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 56 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 58 [Vervallen per 01-01-1985]

Hoofdstuk IX

Artikel 59 [Vervallen per 01-06-1990]

Artikel 59a [Vervallen per 01-06-1990]

Artikel 60 [Vervallen per 01-06-1990]

Artikel 61 [Vervallen per 01-06-1990]

Artikel 62 [Vervallen per 01-06-1990]

Artikel 63 [Vervallen per 01-06-1990]

Artikel 64 [Vervallen per 01-06-1990]

Artikel 65 [Vervallen per 01-06-1990]

Hoofdstuk X. Verjaring

Artikel 66

Hoofdstuk XI. Kwijtschelding

Artikel 67

Artikel 68 [Vervallen per 01-01-1985]

Hoofdstuk XII. Bijzondere bepalingen

Artikel 69 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 70 [Vervallen per 01-04-1987]

Artikel 71

Artikel 72

Artikel 73

Artikel 74

Artikel 75

Artikel 76

Artikel 77 [Vervallen per 14-07-1994]

Artikel 78

Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1985]

Artikel 80 [Vervallen per 01-01-1985]

Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen

Artikel 81

Artikel 82

Artikel 83

Artikel 84