Ga verder naar content

Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Geldig van 1 mei 2015 tot 12 juni 2015
Geldig van 1 mei 2015 tot 12 juni 2015

Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-05-2015 tot 12-06-2015]

Aanhef

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 door een meer overzichtelijke en op verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen en in samenhang daarmede het Besluit op de Commissarissenbelasting 1941 te doen vervallen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Belastingplicht

Artikel 1

Onder de naam 'vennootschapsbelasting' wordt een directe belasting geheven van de lichamen vermeld in de artikelen 2 en 3.

Artikel 2

1.

Als binnenlandse belastingplichtigen zijn aan de belasting onderworpen de in Nederland gevestigde:

  1. naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;

  2. coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag;

  3. onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreden;

  4. verenigingen en stichtingen die op de voet van de Woningwet bij koninklijk besluit zijn toegelaten als instellingen die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn;

  5. hiervoor niet genoemde verenigingen en stichtingen alsmede andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen, indien en voor zover zij een onderneming drijven;

  6. fondsen voor gemene rekening;

  7. in het derde lid vermelde ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen.

2.

Onder een fonds voor gemene rekening wordt verstaan een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, mits van de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Een fonds voor gemene rekening wordt als onderneming aangemerkt. De bewijzen van deelgerechtigdheid worden als verhandelbaar aangemerkt indien voor vervreemding niet de toestemming van alle deelgerechtigden is vereist, met dien verstande dat ingeval vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds voor gemene rekening of aan bloed- en aanverwanten in de rechte linie de bewijzen niet als verhandelbaar worden aangemerkt.

3.

Als ondernemingen als bedoeld zijn in het eerste lid, onderdeel g, worden aangemerkt:

  1. 1°.

    landbouwbedrijven;

  2. 2°.

    nijverheidsbedrijven met uitzondering van die welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;

  3. 3°.

    mijnbouwbedrijven;

  4. 4°.

    handelsbedrijven welke niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend de handel in onroerende zaken of daarop betrekking hebbende rechten tot voorwerp hebben;

  5. 5°.

    vervoersbedrijven met uitzondering van bedrijven welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het vervoer van personen binnen de grenzen van een gemeente tot voorwerp hebben;

  6. 6°.

    bouwkassen.

Onder nijverheidsbedrijven worden mede begrepen bedrijven die gas, elektriciteit of warmte produceren, transporteren of leveren alsmede bedrijven die netten of leidingen aanleggen of beheren ten behoeve van het transport van gas, elektriciteit of warmte.

4.

Heeft de oprichting van een lichaam plaatsgevonden naar Nederlands recht, dan wordt voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van de artikelen 13 tot en met 13d, 13i tot en met 13k, 14a, 14b, 15 en 15a, het lichaam steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd. Bij een lichaam dat zonder toepassing van de eerste volzin niet een binnenlandse belastingplichtige zou zijn, wordt, in afwijking van hoofdstuk II, het voordeel uit hoofde van een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, bepaald op de voet van hoofdstuk III. Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste volzin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.

5.

De lichamen, vermeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen.

6.

Voor de toepassing van deze wet wordt het bestaan van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid steeds aangenomen, zodra en zolang een onderneming als behorende aan een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid in het handelsregister staat ingeschreven.

7.

Lichamen waarvan uitsluitend Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen onmiddellijk of middellijk aandeelhouders, deelnemers of leden zijn, alsmede lichamen waarvan de bestuurders uitsluitend door Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen onmiddellijk of middellijk worden benoemd en ontslagen en welker vermogen bij liquidatie uitsluitend ter beschikking van Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen komt, zijn slechts aan de belasting onderworpen, voorzover zij een bedrijf uitoefenen als bedoeld is in het derde lid. Het bepaalde in de vorige volzin is niet van toepassing ten aanzien van:

  1. het Nederlands Meetinstituut NV;

  2. de N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC);

  3. de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij;

  4. De Koninklijke Nederlandse Munt N.V.;

  5. lichamen waarin een rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort in de zin van de Wet energiedistributie, een belang heeft, alsmede lichamen die met een zodanige rechtspersoon in een groep zijn verbonden in de zin van artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, welke lichamen activiteiten verrichten die eerstgenoemde rechtspersoon ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet energiedistributie niet zelf mag verrichten, tenzij die lichamen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;

  6. lichamen die een bedrijf uitoefenen als bedoeld in het derde lid, tweede volzin, met uitzondering van lichamen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;

  7. NOB Holding N.V.;

  8. de N.V. Luchthaven Schiphol;

  9. de N.V. KLIQ;

  10. de N.V. Bank Nederlandse Gemeenten;

  11. de Nederlandse Waterschapsbank N.V.;

  12. Fortis Bank (Nederland) N.V.;

  13. ASR Nederland N.V.;

  14. ABN AMRO Group N.V.;

  15. de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V.;

  16. Ultra Centrifuge Nederland N.V.;

  17. SNS REAAL N.V.;

  18. Propertize B.V.;

alsmede de lichamen waarin deze rechtspersonen een belang hebben en de lichamen waarvan deze rechtspersonen een bestuurder kunnen benoemen of ontslaan, met uitzondering van lichamen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren.

8.

Voor de toepassing van deze wet worden op de BES eilanden gevestigde lichamen die door de toepassing van artikel 5.2 van de Belastingwet BES geacht worden niet op de BES eilanden te zijn gevestigd, geacht in Nederland te zijn gevestigd.

9.

Op schriftelijk verzoek en onder door Onze Minister te stellen voorwaarden staat de inspecteur toe dat een lichaam als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, geacht wordt zijn onderneming te drijven met behulp van zijn gehele vermogen, indien het lichaam als culturele instelling is aangemerkt. Het verzoek moet uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het jaar waarop het verzoek voor het eerst betrekking heeft, worden ingediend bij de inspecteur. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de door Onze Minister te stellen voorwaarden zijn opgenomen. Bij inwilliging van het verzoek geldt dit tot wederopzegging door het lichaam, waarbij wederopzegging alleen mogelijk is met ingang van het tiende jaar of een veelvoud daarvan na het einde van het jaar waarvoor het verzoek voor het eerst is ingewilligd.

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6a

Hoofdstuk II. Voorwerp van de belasting bij binnenlandse belastingplichtigen

Afdeling 2.1. Belastbaar bedrag

Artikel 7

Afdeling 2.2. Algemene artikelen inzake bepaling van de winst

Artikel 8

Artikel 8a

Artikel 8b

Artikel 8c

Artikel 8d

Artikel 9

Artikel 9a

Artikel 10

Artikel 10a

Artikel 10b

Artikel 10c

Artikel 10d [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12a

Afdeling 2.3. Innovatiebox

Artikel 12b

Afdeling 2.4. [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 12c [Nog niet in werking]

Afdeling 2.5. Deelnemingen

Artikel 13

Artikel 13a

Artikel 13aa

Artikel 13b

Artikel 13ba

Artikel 13bb [Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 13c [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 13ca [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 13d

Artikel 13e

Artikel 13f [Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 13g [Vervallen per 01-01-2007]

Artikel 13h

Artikel 13i

Artikel 13j

Artikel 13k

Artikel 13l

Afdeling 2.6. Bedrijfsfusie

Artikel 14

Afdeling 2.7. Splitsing en juridische fusie

Artikel 14a

Artikel 14b

Afdeling 2.8. Geruisloze terugkeer uit BV

Artikel 14c

Afdeling 2.9. Fiscale eenheid

Artikel 15

Artikel 15aa

Artikel 15ab

Artikel 15ac

Artikel 15ad

Artikel 15ae

Artikel 15af

Artikel 15ag

Artikel 15ah

Artikel 15ai

Artikel 15aj

Artikel 15a

Artikel 15b [Vervallen per 01-12-2005]

Afdeling 2.10. Eindafrekening

Artikel 15c

Artikel 15d

Afdeling 2.10a. Objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten

Artikel 15e

Artikel 15f

Artikel 15g

Artikel 15h

Artikel 15i

Artikel 15j

Afdeling 2.11. Aftrekbare giften

Artikel 16

Hoofdstuk III. Voorwerp van de belasting bij buitenlandse belastingplichtigen

Artikel 17

Artikel 17a

Artikel 18

Artikel 19

Hoofdstuk IV. Verrekening van verliezen

Artikel 20

Artikel 20a

Artikel 20b

Artikel 21

Artikel 21a

Hoofdstuk V. Tarief

Artikel 22

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2001]

Artikel 23a

Artikel 23b

Hoofdstuk Va. Deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten

Artikel 23c

Artikel 23d

Hoofdstuk VI. Wijze van heffing

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 25a

Artikel 26

Artikel 27

Hoofdstuk VII. Aanvullende regelingen

Artikel 28

Artikel 28a

Artikel 28b

Artikel 28c

Artikel 29

Artikel 29a

Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 31a

Artikel 31b

Artikel 31c

Artikel 31d

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 33a

Artikel 33b

Artikel 33c

Artikel 33d

Artikel 34

Artikel 34a

Artikel 34b

Artikel 34c

Artikel 35

Artikel 36 [Vervallen per 01-01-1997]

Artikel 37

Artikel 38 [Vervallen per 01-01-1997]

Artikel 39