Ga verder naar content

Regeling optische en geluidssignalen 2009

Geldig vanaf 5 januari 2021

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 05-01-2021]

Aanhef

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Artikel 1

1.

Als hulpverleningsdiensten worden aangewezen die diensten die, voor zover de aan hen opgedragen taak hierin voorziet, voor het vervullen van een dringende taak worden ingezet.

2.

De in het eerste lid bedoelde diensten zijn de volgende:

  1. de door de directie van het Rode Kruis aangewezen onderdelen van Noodhulp Nationaal;

  2. de Stichting Sanquin voor een spoedtransport van bloed of bloedproducten;

  3. Prorail voor de inzet van hulpverleningsvoertuigen ten behoeve van ongevallen op het spoor;

    1. 1°.

      de veiligheidsregio’s,

    2. 2°.

      de operationele onderdelen van het Instituut Fysieke Veiligheid,

    3. 3°.

      Het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie;

  4. de Stafafdeling Beveiliging, Bewaking & Vervoer van de Arrondissementale Stafdienst Amsterdam;

  5. de Milieudienst Zuid-Holland Zuid;

  6. de DCMR Milieudienst Rijnmond;

  7. de divisie Rotterdam Port Authority van Havenbedrijf Rotterdam N.V. ten behoeve van het gebruik van uitrukwagens;

  8. de door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen functionarissen van de Landelijke Vervoersdienst Justitie of de Landelijke Bijzondere Bijstandsverlening van de Dienst Justitiële Inrichtingen;

  9. het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen orgaancentrum, bedoeld in artikel 24 van de Wet op de orgaandonatie, ten behoeve van het spoedeisende vervoer van transplantatieorganen en het spoedeisende vervoer van transplantatieteams;

  10. de door de Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen aangewezen reddingsbrigades;

  11. de Koninklijke Marechaussee, alsmede andere door de Minister van Defensie aangewezen bijstandseenheden;

  12. de militair geneeskundige dienst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ambtenaren defensie;

  13. de Dienst Bedrijfsbeveiliging van TATA Steel IJmuiden B.V. te Velsen-Noord;

    1. 1°.

      de hoofdofficier van het landelijk parket van het Openbaar Ministerie,

    2. 2°.

      het Nederlands Forensisch Instituut;

  14. van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu:

    1. 1°.

      de milieuongevallendienst,

    2. 2°.

      de radiologische dienst straling,

    3. 3°.

      de incidentcoördinator;

    1. 1°.

      de explosieven opruimingsdiensten van het Ministerie van Defensie

    2. 2°.

      de brandweerdiensten van het Ministerie van Defensie,

    3. 3°.

      het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid, ten behoeve van het verrichten van metingen bij stralingsincidenten,

    4. 4°.

      het Advies en Assistentieteam en de Detectie, Identificatie en Monitoring groep van de Chemische, Radiologische en Nucleaire (CBRN) Responscapaciteit;

  15. de bedrijfsbrandweer van de luchthaven Schiphol of een luchthaven van nationale betekenis als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet luchtvaart;

  16. de weginspecteurs en officieren van dienst van Rijkswaterstaat.

Artikel 2

Er is slechts sprake van een dringende taak als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en in artikel 1, eerste lid, in geval van:

  1. een voor de mens levensbedreigende situatie die directe hulp van de betrokken hulpverleningsdiensten vergt;

  2. het voorkomen van een voor de mens levensbedreigende situatie of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen of goederen ontstaat;

  3. een ernstige verstoring van de openbare orde of de rechtsorde, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is.

Artikel 3

1.

De politie, de brandweer en de diensten voor spoedeisende medische hulpverlening stellen elk een richtlijn op met betrekking tot de werkzaamheden en de omstandigheden, waarin van de optische en geluidssignalen gebruik mag worden gemaakt.

2.

De in of krachtens de in artikel 1, tweede lid, aangewezen hulpverleningsdiensten verklaren een van de in het eerste lid bedoelde richtlijnen van overeenkomstige toepassing of stellen een richtlijn op met betrekking tot de werkzaamheden en de omstandigheden, waarin van de optische en geluidssignalen gebruik mag worden gemaakt.

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde richtlijn bevat in ieder geval:

  1. de branchespecifieke criteria waaronder met de optische en geluidssignalen mag worden gereden, ter nadere invulling van de in artikel 2 genoemde criteria;

  2. de prioritering van de meldingen en de rol die de meldkamer speelt bij het verlenen van toestemming om met de optische en geluidssignalen te mogen rijden;

  3. het branchespecifieke gedrag van de bestuurder;

  4. de vaardigheden van de bestuurder;

  5. de opleiding van de bestuurder;

  6. de manier waarop de vaardigheden van de bestuurder actueel en op peil worden gehouden.

4.

Naast de in het derde lid genoemde eisen bevat de in het eerste en tweede lid bedoelde richtlijn ten aanzien van de bestuurder van het voorrangsvoertuig de volgende eisen:

  1. het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 km per uur;

  2. een vluchtstrook wordt bereden met een snelheid van maximaal 20 km per uur boven de snelheid van het verkeer op de rijbaan, met een snelheid van maximaal 80 km per uur. Wanneer de snelheid van het andere verkeer lager is dan 30 km per uur, mag op de vluchtstrook maximaal 50 km per uur worden gereden;

  3. de rijbaan wordt bereden met een snelheid van maximaal 40 km per uur boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid. De politie mag hiervan in overleg met de meldkamer in uitzonderlijke gevallen afwijken.

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10