Home

Vennootschapsbelasting, fiscale eenheid

Geldig van 31 december 2014 tot 5 september 2018
Geldig van 31 december 2014 tot 5 september 2018

Vennootschapsbelasting, fiscale eenheid

Besluit DGB2010/4620M

Voorafgaande besluiten
CPP2003/1917M, CPP2004/634M, CPP2004/647M, CPP2004/812M, CPP2004/2183M
Opvolgende besluiten
2024-186206
Versies van huidig besluit

Opschrift


[Regeling ingetrokken per 26-04-2024]

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

In dit besluit is een aantal besluiten over de regeling van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting samengevoegd en geactualiseerd. Daarnaast zijn in dit besluit nieuwe beleidsstandpunten opgenomen.

1. Inleiding

In dit besluit is een aantal besluiten over de regeling van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting samengevoegd en geactualiseerd. Het gaat om de volgende besluiten:

  1. het besluit van 23 oktober 2003, nr. CPP2003/1917M;

  2. het besluit van 12 mei 2004, nr. CPP2004/634M;

  3. het besluit van 14 mei 2004, nr. CPP2004/647M;

  4. het besluit van 22 september 2004, nr. CPP2004/812M; en

  5. het besluit van 16 februari 2005, nr. CPP2004/2183M.

Het beleid dat is opgenomen bij vraag 2 van het besluit met nummer CPP2003/1917M is niet overgenomen in dit besluit, aangezien dit beleid inmiddels is geregeld in het besluit van 19 december 2006, Stb. 685 (Besluit houdende aanpassing van het Besluit fiscale eenheid 2003 mede in verband met de Wet werken aan winst). Vraag 4 van het besluit met nummer CPP2003/1917M over kasgeldvennootschappen is opgenomen in onderdeel 3.3. van dit besluit; de in het verleden gestelde voorwaarde, dat de aandelen niet binnen een jaar na de aankoop mochten worden verkocht, is vervallen.

Het besluit van 12 mei 2004, nr. CPP2004/634M, is als gevolg van gewijzigde wetgeving vervallen.

Vraag 1 uit het besluit met nummer CPP2004/812M is niet meer opgenomen in dit besluit, aangezien het in deze vraag opgenomen overgangsrecht niet meer geldt.

Dit besluit bevat verder zes nieuwe beleidsstandpunten. Deze standpunten hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

  1. de fiscale eenheid en pandrecht (onderdeel 3.2.);

  2. latente liquidatieverliezen (onderdeel 4);

  3. toepassing van artikel 15ac, zesde lid, Wet Vpb (onderdeel 5);

  4. de verliesverrekening over het voegingstijdstip heen: toerekenen resultaten (onderdeel 6.2.);

  5. de doorschuiving van de sanctie uit hoofde van artikel 15ai van de Wet Vpb (onderdeel 8.1.);

  6. te hanteren afschrijvingstermijn na toepassing van artikel 15ai, tweede lid, van de Wet Vpb (onderdeel 8.3).

De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule).

Verder wordt aan dit besluit toegevoegd een goedkeuring vooruitlopend op wetgeving waardoor verzoeken tot het aangaan van een fiscale eenheid kunnen worden ingewilligd tussen zustermaatschappijen die gehouden worden door een topmaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie of tussen een moedermaatschappij en een kleindochtermaatschappij die gehouden wordt door een tussenmaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie.

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

Wet Vpb

Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Bfe

Besluit fiscale eenheid 2003

Bezitseis

de eis als bedoeld in artikel 15 van de Wet Vpb dat een moedermaat-schappij de juridische en econo-mische eigendom bezit van ten minste 95 percent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een dochtermaatschappij

Topmaatschappij:

een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij, dan wel een daarmee naar aard en inrichting vergelijkbaar lichaam dat is opgericht naar het recht van een in artikel 15, derde lid, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969 bedoelde staat, die respectievelijk dat

  1. is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en niet is gevestigd in Nederland, noch op grond van een door die lidstaat of staat met een derde staat gesloten verdrag op het gebied van dubbele belastingheffing, geacht wordt te zijn gevestigd in een staat die geen lid is van de Europese Unie en geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

  2. in de staat van vestiging, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, is onderworpen aan een belasting naar de winst, en

  3. onmiddellijk aandelen heeft in ten minste twee belastingplichtigen ten aanzien waarvan wordt voldaan aan de bezitseis van artikel 15, eerste lid, van de Wet Vpb 1969 (fiscale eenheid van zustermaatschappijen).

Tussenmaatschappij:

een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, dan wel een daarmee naar aard en inrichting vergelijkbaar lichaam dat is opgericht naar het recht van een in artikel 15, derde lid, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969 bedoelde staat,

  1. die respectievelijk dat is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en niet is gevestigd in Nederland, noch op grond van een door die lidstaat of staat met een derde staat gesloten verdrag op het gebied van dubbele belastingheffing, geacht wordt te zijn gevestigd in een staat die geen lid is van de Europese Unie en geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

  2. die respectievelijk dat in de staat van vestiging, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, is onderworpen aan een belasting naar de winst;

  3. waarvan de aandelen overeenkomstig het bezitsvereiste van artikel 15, eerste lid, van de Wet Vpb 1969 worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken, en

  4. die respectievelijk dat onmiddellijk aandelen heeft in een belastingplichtige waardoor de moedermaatschappij van de fiscale eenheid ten aanzien van die belastingplichtige voldoet aan de bezitseis van artikel 15, eerste lid, van de Wet Vpb 1969 (fiscale eenheid moeder/kleindochter).

2. Begrip ‘belastingplichtige’ in de zin van artikel 15 van de Wet Vpb

2.1. Fiscale eenheid van zustermaatschappijen en van moeder/kleindochter

2.1.1. Goedkeuring

2.1.2. Fiscale eenheid van zustermaatschappijen

2.1.2.1. Illustraties

2.1.3. Fiscale eenheid moeder/kleindochter

2.1.3.1. Illustraties

2.2. Gevoegde dochtermaatschappij verkrijgt status van subjectief vrijgesteld lichaam

3. Bezitseis

3.1. Optierechten

3.2. Pandrecht

3.3. Artikel 15, derde lid, onderdeel f, Wet Vpb ; kasgeldvennootschappen

4. Latente liquidatieverliezen

Situatie ad 1

Situatie ad 2

5. Toepassing van artikel 15ac, zesde lid, Wet Vpb ; uitleg van ‘niet in aftrek worden toegelaten’

6. Verrekening voorvoegingsverliezen

6.1. Verrekening van aanloopverliezen over het voegingstijdstip heen

6.2. Verliesverrekening over het voegingstijdstip heen; toerekenen resultaten (artikel 15ae van de Wet Vpb en artikel 12 van het Bfe)

6.3. Verrekening voorvoegingsverliezen; regeling nieuw opgerichte dochtermaatschappij

7. Meegeven van verliezen aan ontvoegde dochtermaatschappij

7.1. Gedeeltelijk meegeven verliezen niet mogelijk

7.2. Verliezen niet koppelen aan activiteiten

7.3. Verbreking fiscale eenheid gevolgd door aangaan nieuwe fiscale eenheid. Mee te geven verliezen zijn aan te merken als voorvoegingsverliezen in de zin van artikel 15ae, eerste lid, onderdeel a

8. Artikel 15ai van de Wet Vpb

8.1. Beleid met betrekking tot doorschuiving sanctie artikel 15ai van de Wet Vpb

I. Goedkeurende regeling ingeval een kleinere fiscale eenheid tussen overdrager en overnemer mogelijk was geweest

II. Goedkeurende regeling ingeval de moedermaatschappij van een fiscale eenheid als verdwijnende rechtspersoon betrokken is bij een fiscaal begeleide juridische fusie en opgaat in een niet tot die fiscale eenheid behorende vennootschap.

III. Goedkeurende regeling ingeval de moedermaatschappij van een fiscale eenheid als verdwijnende rechtspersoon is betrokken bij een fiscaal begeleide juridische fusie; een gevoegde dochtermaatschappij treedt op als verkrijgende rechtspersoon

8.2. Verkorte sanctietermijn. Begrip ‘uitreiking van aandelen’ bij een juridische fusie

8.3. Te hanteren afschrijvingstermijn na toepassing van artikel 15ai, tweede lid, van de Wet Vpb

9. Ingetrokken regelingen

10. Inwerkingtreding

Bijlage 1. Besluit met nummer dgb2010/4620m

Bijlage 2. Besluit met nummer dgb2010/4620m

Bijlage 3. Besluit met nummer dgb2010/4620m

Bijlage 4. Besluit met nummer dgb2010/4620m