Ga verder naar content

Besluit Beroep in Belastingzaken

Geldig vanaf 7 april 2021
Geldig vanaf 7 april 2021

Besluit Beroep in Belastingzaken

Besluit 2021-1729

Voorafgaande besluiten
2017-59142

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 07-04-2021]

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit actualiseert het Besluit Beroep in Belastingzaken (BBIB) van 7 april 2017, nr. 2017-59142 ( Stcrt. 2017, 22374 ). De voornaamste wijzigingen zijn: (i) vereenvoudiging van de wijze waarop de rechter de procesmachtiging van de inspecteur kan nagaan; (ii) regeling voor het uitzonderlijke geval dat de inspecteur een wrakingsverzoek nodig vindt; en (iii) vergoeding van wettelijke rente als de vergoeding van griffierecht of proceskosten niet binnen vier weken is uitbetaald (cf. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358 ). Voorts zijn diverse actualisaties doorgevoerd en redactionele aanpassingen gedaan, zoals de verwerking van de nieuwe topstructuur van de Belastingdienst.

1. Algemeen

1.0. Inleiding

  1. Het Besluit Beroep in Belastingzaken (BBIB) bevat procedurevoorschriften voor de Belastingdienst, voor het beroep, hoger beroep en beroep in (sprong)cassatie. Het heeft betrekking op belastingzaken, inclusief premieheffing volksverzekeringen en werknemersverzekeringen, maar geldt dus niet voor toeslagen.

  2. Het BBIB wordt periodiek geactualiseerd. Dit besluit vervangt het BBIB van 7 april 2017, nr. 2017-59142 (Stcrt. 2017, 22374). De volgende wijzigingen zijn aangebracht:

    • In de inleiding (paragraaf 1.0, eerste alinea) is de strekking van het BBIB verduidelijkt.

    • De gebruikte begrippen en afkortingen (paragraaf 1.1) zijn uitgebreid en geactualiseerd ter verwerking van de nieuwe topstructuur van de Belastingdienst en de verwerking daarvan in de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Verwijzingen naar Belastingdienst/Centrum voor kennis en communicatie (B/CKC) zijn achterhaald en zijn daarom telkens vervallen.

    • De wijze waarop de rechter de procesmachtiging van de inspecteur kan nagaan is vereenvoudigd. In paragraaf 1.2 (procesmachtiging en wraking) is het volmachtregister vervangen door de procedure dat de inspecteur de rechtbank of het gerechtshof desgevraagd een afschrift van zijn machtiging verstrekt (vgl. artikel 8:24, tweede lid, Awb). Voorts is deze paragraaf uitgebreid met een regeling voor het uitzonderlijke geval dat de inspecteur een wrakingsverzoek nodig vindt. Hij gaat hier zeer terughoudend mee om.

    • In de paragrafen 2.2 en 4.1 (verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken) is geactualiseerd. De Belastingdienst zal in beginsel geen gebruik maken van de mogelijkheid om geen verweerschrift in te dienen (artikel 8:42, eerste lid, Awb).

    • In paragraaf 2.2.3 (tegemoetkomen aan de grieven van belanghebbende) is de te volgen procedure beperkt tot de hoofdlijn. Hiermee is geen beleidswijziging beoogd.

    • De betrokkenheid van de vaktechnisch coördinatoren is op diverse plekken verduidelijkt of versterkt, zoals bij verzoeken aan de rechtbank om verlenging van een termijn (paragraaf 2.2.4), bij de afweging of hoger beroep moet worden ingesteld (paragraaf 2.6.2), of (sprong)cassatie moet worden voorgesteld (zie paragraaf 2.6.5 en 4.6.2) en bij de vraag of de uitspraak van de rechtbank of het gerechtshof moet worden gepubliceerd (zie paragraaf 2.6.8 en 4.6.5).

    • In de ingevoegde paragraaf 2.2.6 (over te leggen stukken en geheimhouding) is verwerkt wanneer sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken (cf. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672). Dit stond voorheen in paragraaf 2.2.5 (oud). Hierbij is benadrukt dat de inspecteur gewichtige redenen kan hebben om een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk niet (volledig) te overleggen en een beroep te doen op geheimhouding (artikel 8:29 Awb). Dit is ook mogelijk als de belanghebbende heeft verzocht om een voorlopige voorziening (zie paragraaf 2.5.2 en 4.5).

    • De verplichting om voorafgaand aan de zitting te informeren naar de samenstelling van de rechtbank (of het gerechtshof) is vervallen, vanwege de gangbare praktijk dat dit in de uitnodiging voor de zitting wordt aangekondigd (paragraaf 2.4.1).

    • In paragraaf 2.4.4 (achterwege blijven mondelinge behandeling) is verduidelijkt wanneer de inspecteur instemt met het achterwege blijven van de mondelinge behandeling en dat de inspecteur zijn besluit afstemt met de betrokken vaktechnisch coördinatoren.

    • In paragraaf 2.6.4 (sprongcassatie op verzoek van belanghebbende) is verwerkt dat als belanghebbende zich rechtstreeks wendt tot FJZ/cassatie met een verzoek om instemming sprongcassatie, deze de inspecteur zal benaderen om hierover te worden geïnformeerd.

    • In paragraaf 4.2 (instellen incidenteel hoger beroep door de inspecteur) is de termijn waarbinnen de inspecteur incidenteel hoger beroep kan instellen geactualiseerd. Het instellen van incidenteel hoger beroep is mogelijk binnen zes weken nadat het gerechtshof de gronden van het hoger beroep aan de inspecteur heeft gezonden (artikel 8:110, tweede lid, Awb).

    • In de nieuwe paragraaf 6.2a (prejudiciële vragen aan het EHRM) is rekening gehouden met de inwerkingtreding van Protocol nr. 16 bij het EVRM per 1 juni 2019 op grond waarvan de Hoge Raad prejudiciële vragen kan stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

    • Paragraaf 6.3.1 (griffierecht) schreef voor dat, als de inspecteur op grond van artikel 8:74 Awb door de rechter is veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, de inspecteur de belanghebbende en diens gemachtigde een kennisgeving stuurt waaruit blijkt dat hij het griffierecht zal vergoeden. Deze kennisgeving is vervallen, omdat het geen toegevoegde waarde heeft tegenover de veroordeling door de rechter en daarom in de praktijk nog maar zelden werd gegeven.

    • In de paragrafen 6.3.1 (griffierecht) en 6.3.2 (proceskosten) is verduidelijkt dat wettelijke rente wordt vergoed in alle gevallen waarin de vergoeding van griffierecht of proceskosten niet binnen vier weken is uitbetaald (cf. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358). Voor de vergoeding van immateriële schade was dit al het geval (zie paragraaf 6.3.3). Als door de inspecteur hoger beroep of door de staatssecretaris cassatieberoep is ingesteld kan de inspecteur, alvorens tot vergoeding of verrekening over te gaan, de uitkomst van die procedure afwachten. Om het belopen van wettelijke rente te voorkomen, is benadrukt dat dit geen verplichting is.

    • In paragraaf 6.3.3 (immateriële schade) is het derde lid vervallen. Het vierde lid is daarbij vernummerd tot derde lid. In het vervallen lid was geregeld dat als de staatssecretaris in cassatie wordt veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, de inspecteur zorgdraagt voor de uitbetaling. Deze situatie blijkt zich in de praktijk niet voor te doen. De veroordeling wordt in cassatie namelijk uitsluitend gericht tot de inspecteur of de Minister voor Rechtsbescherming naar gelang de overschrijding van de redelijke termijn is ontstaan in de bezwaarfase of de rechterlijke fase.

    • In paragraaf 6.4 (verstrekken van inlichtingen) is verwerkt dat de inspecteur gewichtige redenen kan hebben om bepaalde inlichtingen niet te geven, zoals over de inhoud van stukken waarvoor een beroep op artikel 8:29 Awb (geheimhouding) wordt gedaan.

Wijzigingen kunnen in meerdere paragrafen terugkomen, dit is niet altijd afzonderlijk vermeld. Voorts is de tekst op diverse punten redactioneel aangepast, daarmee is geen beleidswijziging beoogd.

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

1.2. Procesmachtiging en wraking

1.3. Registratie beroepschriften en verweerschriften

1.4. Bewaking van de gevolgen van de procedure

2. Beroep bij de rechtbank

2.1. Rechtstreeks beroep

2.1.1. Instemming door de inspecteur

2.1.2. Doorzending van het bezwaarschrift

2.1.3. Afwijzen van het verzoek

2.2. Het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken

2.2.1. Indiening

2.2.2. Eenheid van beleid en uitvoering

2.2.3. Tegemoetkomen aan de grieven van belanghebbende

2.2.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

2.2.5. Inhoud van het verweerschrift

2.2.6. Over te leggen stukken en geheimhouding

2.3. De conclusie van dupliek

2.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek

2.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

2.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek

2.4. De mondelinge behandeling

2.4.1. Aanwezigheid ter zitting

2.4.2. Bijstand

2.4.3. Procesdeskundigen

2.4.4. Achterwege blijven van de mondelinge behandeling

2.4.5. Openbaarheid van de zitting bij massaalbezwaarprocedures

2.5. Overige aspecten van het beroep

2.5.1. Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

2.5.2. Voorlopige voorziening

2.6. Na de uitspraak

2.6.1. Korte aantekening van de inhoud

2.6.2. Het instellen van hoger beroep

2.6.3. Sprongcassatie op voorstel van de inspecteur

2.6.4. Sprongcassatie op verzoek van belanghebbende

2.6.5. Eenheid van beleid en uitvoering

2.6.6. Indiening van een verzetschrift

2.6.7. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit

2.6.8. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak

3. Hoger beroep door de inspecteur

3.1. Het beroepschrift

3.1.1. Indiening van een beroepschrift

3.1.2. Pro forma beroep

3.1.3. Eenheid van beleid en uitvoering

3.1.4. Inhoud van het beroepschrift en over te leggen stukken

3.2. De conclusie van repliek

3.2.1. Indiening van een conclusie van repliek

3.2.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

3.2.3. Inhoud van de conclusie van repliek

3.3. De mondelinge behandeling

3.4. Na de uitspraak

4. Hoger beroep door belanghebbende

4.1. Het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken

4.1.1. Indiening

4.1.2. Eenheid van beleid en uitvoering

4.1.3. Tegemoetkomen aan de grieven van belanghebbende

4.1.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

4.1.5. Inhoud van het verweerschrift en over te leggen stukken

4.2. Het instellen van incidenteel hoger beroep door de inspecteur

4.3. De conclusie van dupliek

4.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek

4.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

4.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek

4.4. De mondelinge behandeling

4.5. Voorlopige voorziening

4.6. Na de uitspraak

4.6.1. Korte aantekening van de inhoud

4.6.2. Cassatievoorstel

4.6.3. Indiening van een verzetschrift

4.6.4. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit

4.6.5. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak

5. Cassatieberoep bij de Hoge Raad

5.1. Cassatieberoep door de staatssecretaris

5.1.1. Indiening van een cassatievoorstel

5.1.2. De conclusie van repliek

5.2. Cassatieberoep door belanghebbende

5.2.1. Inzending van het advies door inspecteur

5.2.2. Inhoud van het advies

5.2.3. De conclusie van dupliek

5.3. De conclusie van de advocaat-generaal

5.4. Na de uitspraak

5.4.1. Toezending van de uitspraak

5.4.2. Uitvoering van de uitspraak

6. Overige bepalingen

6.1. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie

6.1.1. In te zenden stukken/overleg

6.1.2. Toezending van afschriften

6.2. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

6.2.1. Op verzoek van de inspecteur

6.2.2. Niet op verzoek van de inspecteur

6.2.3. Procedure bij de Hoge Raad

6.2a. Prejudiciële vragen aan het EHRM

6.3. Vergoeding van griffierecht, proceskosten en immateriële schade

6.3.1. Griffierecht

6.3.2. Proceskosten

6.3.3. Immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn

6.4. Verstrekken van inlichtingen ( artikel 8:44 Awb )

6.4.1. Mondelinge beantwoording van een verzoek om inlichtingen

6.4.2. Schriftelijke beantwoording van een verzoek om inlichtingen

6.5. Verwijzing en voeging

7. Ingetrokken regeling

8. Inwerkingtreding

9. Citeertitel