Home

Centrale Raad van Beroep, 15-12-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4337, CRvB 13-4688 WIA

Centrale Raad van Beroep, 15-12-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4337, CRvB 13-4688 WIA

Inhoudsindicatie

Geen procesbelang: het procesbelang van appellant in deze zaak kan niet zijn gelegen in de inkomenseis. De stelling dat een volledige arbeidsongeschiktheid tijdens de gehele duur van de loongerelateerde uitkering uitstralingseffect zal hebben op toekomstige beoordelingen door het Uwv - wat daarvan ook zij - heeft appellant niet geconcretiseerd en kan reeds daarom door de Raad niet worden aanvaard. Daarnaast stelt de Raad vast appellant geen aanspraak heeft gemaakt op een IVA-uitkering.

Uitspraak

13/4688 WIA

Datum uitspraak: 15 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juli 2013, 13/1487 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend een heeft zich, desgevraagd, schriftelijk uitgelaten over het procesbelang.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2014. Appellant is verschenen met bijstand van mr. F. Ergec, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 7 september 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 24 februari 2012 tot 24 juni 2014 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is ontstaan. Daarbij is vastgesteld dat appellant 67% arbeidsongeschikt was. Tevens is vastgesteld dat appellant in de periode van 6 juni 2012 tot 31 augustus 2012 100% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 22 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.2.

Bij besluit van 18 september 2014 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 januari 2014 vastgesteld op 100%. Tevens is meegedeeld dat met ingang van 24 juni 2014 recht op een loonaanvullingsuitkering is ontstaan, die even hoog is als de loongerelateerde uitkering.

1.3.

Bij besluit van 19 september 2014 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 10 september 2014 vastgesteld op 54,55%. Tevens is meegedeeld dat de hoogte van de loonaanvullingsuitkering niet is gewijzigd en dat appellant deze uitkering krijgt tot

1 oktober 2016.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het in dit geding bestreden besluit van 22 januari 2013 ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zowel per 24 februari 2012 als

31 augustus 2012 volledig arbeidsongeschikt is en dus in aanmerking wil komen voor een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Ter zitting heeft het Uwv het standpunt ingenomen ernstige vraagtekens te hebben bij het procesbelang in deze zaak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Bij besluit van 7 september 2012 is, naast de vaststelling dat voor appellant met ingang van 24 februari 2012 tot 24 juni 2014 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 67%, tevens vastgesteld dat appellant in de periode van 6 juni 2012 tot 31 augustus 2012 100% arbeidsongeschikt was. De hoogte van de loongerelateerde uitkering is hierdoor niet gewijzigd.

4.2.

Tussen partijen is in geschil de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 24 februari 2012 en per 31 augustus 2012.

4.3.

Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard geen aanspraak te maken op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Appellant heeft zich ter zitting, in aanvulling op zijn schriftelijke reactie dat zijn procesbelang gelegen is in de door hem gevorderde mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, op het standpunt gesteld dat zijn belang gelegen is in het uitstralingseffect dat een vaststelling van volledige arbeidsongeschiktheid tijdens de gehele duur van de loongerelateerde uitkering zal hebben op toekomstige beoordelingen.

4.3.

De Raad dient ambtshalve de vraag te onderzoeken of appellant bij een inhoudelijke beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak voldoende procesbelang heeft.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals neergelegd in de uitspraak van 2 juli 2014, ECLI:CRVB:2014:2284) is daarvoor bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis heeft.

4.5.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 15 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485) moet, bij de vraag of procesbelang aanwezig is, worden betrokken het gevolg dat het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% heeft voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de loongerelateerde uitkering. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een loongerelateerde uitkering ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, dan geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft. In het geval van appellant betekent dat, nu bij besluit van 7 september 2012 is vastgesteld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 6 juni 2012 100% bedraagt en die mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee maanden heeft geduurd, de inkomenseis voor appellant niet langer geldt. De inkomenseis gaat in beginsel pas weer gelden 24 maanden na het moment waarop is vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen en minder dan 80% bedraagt, in het geval van appellant derhalve 24 maanden vanaf 31 augustus 2012 tot 31 augustus 2014.

4.6.

Voorts is hangende de procedure in hoger beroep bij besluit van 18 september 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant opnieuw, tijdens de hiervoor genoemde periode van 24 maanden en tijdens de loongerelateerde uitkering, per 29 januari 2014, vastgesteld op meer dan 80%.

4.7.

Uit hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen vloeit voort dat een procesbelang van appellant in deze zaak niet kan zijn gelegen in de inkomenseis. De stelling dat een volledige arbeidsongeschiktheid tijdens de gehele duur van de loongerelateerde uitkering uitstralingseffect zal hebben op toekomstige beoordelingen door het Uwv - wat daarvan ook zij - heeft appellant niet geconcretiseerd en kan reeds daarom door de Raad niet worden aanvaard. Derhalve kan hierin ook geen procesbelang van appellant zijn gelegen. Daarnaast stelt de Raad vast appellant geen aanspraak heeft gemaakt op een IVA-uitkering.

4.8.

De Raad is, gelet op hetgeen onder 4.5 tot en met 4.7 is overwogen, van oordeel dat het resultaat dat appellant in deze procedure nastreeft, geen feitelijke betekenis voor hem kan hebben. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. Bij deze uitspraak is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2014.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) V. van Rij

QH