Home

Gerechtshof Amsterdam, 11-02-2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1032, 14/00257

Gerechtshof Amsterdam, 11-02-2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1032, 14/00257

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11 februari 2016
Datum publicatie
23 maart 2016
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2016:1032
Zaaknummer
14/00257

Inhoudsindicatie

Geschil na verwijzing. Geen verdere matiging van de verhogingen en boeten in verband met de overschrijding van de redelijke termijn dan de reeds verleende 20%. De Raad voor de Rechtspraak heeft niet bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de eerder door het gerechtshof te ’s-Gravenhage toegekende immateriële schadevergoeding door de Raad is aanvaard.

Uitspraak

Kenmerk AWB 14/00257 tot en met 14/00280

11 februari 2016

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van

[X] wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

inzake uitspraken op bezwaar van de inspecteur

en tegen

de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,

inzake een verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Voorts heeft de inspecteur aan belanghebbende aanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2003 opgelegd. De navorderingsaanslagen voor de jaren 1990 tot en met 1997 zijn telkens verhoogd met 100% van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen de inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Bij gelijktijdig met de (navorderings)-aanslagen voor de jaren 1998 tot en met 2000 en de jaren 2002 en 2003 genomen beschikkingen zijn boeten van 100% opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft tevens aan belanghebbende navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) voor de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegd. De navorderingsaanslagen voor de jaren 1991 tot en met 1998 zijn telkens verhoogd met 100% van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen de inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Bij gelijktijdig met de navorderingsaanslagen voor de jaren 1999 en 2000 genomen beschikkingen zijn boeten van 100% opgelegd.

1.3.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 juni 2007 de onderhavige (navorderings-)aanslagen, verhogingen respectievelijk vergrijpboetes gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 september 2009 (AWB 07/5850 en verder) als volgt beslist:

-

verklaart de beroepen gegrond, voor zover die zijn gericht tegen de aanslagen en de verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes met betrekking tot de (navorderings-)aanslagen;

-

verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

-

vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de aanslagen en de verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes met betrekking tot de (navorderings-)aanslagen;

-

vermindert de aanslag over het jaar 2001 in verband met de verlaging van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot € 4.457;

-

vermindert de aanslag over het jaar 2002 in verband met de verlaging van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot € 4.996;

-

vermindert de aanslag over het jaar 2003 in verband met de verlaging van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot € 5.780;

-

vermindert de verhogingen en de vergrijpboetes tot de bedragen zoals hiervoor in de kolom verhoging / boete na matiging in 4.25 zijn vermeld;

-

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage ingesteld. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 31 juli 2012 (BK-09/00739 en verder) als volgt beslist:

-

vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

-

vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1990 tot ƒ 10.326 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1991 tot ƒ 9.784 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1992 tot ƒ 13.252 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1993 tot ƒ 16.192 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1994 tot ƒ 9.422 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1995 tot ƒ 10.325 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1996 tot ƒ 10.867 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997 tot ƒ 17.745 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998 tot ƒ 15.129 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999 tot ƒ 30.887 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 tot ƒ 22.467 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 tot een naar een rendementsgrondslag ter bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 44.361 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002 tot een naar een rendementsgrondslag ter bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €55.834 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2003 tot een naar een rendementsgrondslag ter bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 74.547 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 tot een naar een vermogen van ƒ 405.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1992 tot een naar een vermogen van ƒ 404.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1993 tot een naar een vermogen van ƒ 388.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1994 tot een naar een vermogen van ƒ 405.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1995 tot een naar een vermogen van ƒ 387.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1996 tot een naar een vermogen van ƒ 391.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1997 tot een naar een vermogen van ƒ 438.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1998 tot een naar een vermogen van ƒ 529.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999 tot een naar een vermogen van ƒ 587.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vermindert de navorderingsaanslag vermogensbelasting 2000 tot een naar een vermogen van ƒ 482.000 met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente;

-

vernietigt de opgelegde verhogingen betreffende de heffing van inkomstenbelastingjaren over de jaren 1990 tot en met 1996;

-

vernietigt de opgelegde verhoging betreffende de heffing van vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000;

-

vernietigt de boetebeschikkingen betreffende de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2003;

-

vermindert de opgelegde verhoging over het jaar 1997 tot 35 percent van de nagevorderde inkomstenbelasting;

-

wijzigt de boetebeschikkingen aldus dat de vergrijpboetes over de jaren 1998 tot en met 2000 worden verminderd tot 35 percent van de nagevorderde inkomstenbelasting;

-

veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 3.750;

-

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.966,50;

-

gelast de Staat aan belanghebbende een bedrag van € 110 aan griffierecht te vergoeden;

-

veroordeelt de Staat, het ministerie van veiligheid en justitie, tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 5.250.

1.6.

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft vervolgens op 12 september 2012 een hersteluitspraak gedaan. Daarbij is een fout in het dictum van de uitspraak van 31 juli 2012 die “redelijkerwijs kenbaar was voor partijen” en die betrekking had op de vaststelling van de bedragen van de navorderingsaanslagen IB/PVV over 1997 tot en met 2000, door het gerechtshof te ’s-Gravenhage hersteld door de navorderingsaanslagen op de volgende bedragen vast te stellen:

-

1997: ƒ 9.727

-

1998: ƒ 8.776

-

1999: ƒ 16.588

-

2000: ƒ 13.538

1.7.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tegen de uitspraak van 31 juli 2012 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft belanghebbende tegen de (herstel)uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 28 maart 2014, nr. 12/04512, ECLI:NL:HR:2014:700, heeft de Hoge Raad als volgt beslist:

-

verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 31 juli 2012 ongegrond,

-

verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de hersteluitspraak van het Hof niet-ontvankelijk,

-

verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,

-

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend wat betreft de verhogingen en de boeten ter zake van de IB/PVV over de jaren 1997 tot en met 2000 alsmede wat betreft de beslissing tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, en

-

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest [hierna het verwijzingsarrest].

2 Loop van het geding na verwijzing

2.1.

Belanghebbende, de inspecteur en de Minister zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. Bij brief van 23 mei 2014 heeft belanghebbende van deze gelegenheid gebruik gemaakt en de Minister (de Raad voor de Rechtspraak) bij brief van 30 juni 2014. Voornoemde stukken zijn over en weer in afschrift naar alle partijen gezonden. De inspecteur heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om te reageren op het verwijzingsarrest. Wel heeft de inspecteur voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof (ontvangen op 12 oktober 2015), welke pleitnota op 13 oktober 2015 is toegezonden aan de gemachtigde.

2.2.

Het beroep is behandeld ter zitting van het Hof op 20 oktober 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

2.3.

De Minister is niet uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting. Gelet op hetgeen hierna omtrent de vergoeding van immateriële schade wordt overwogen en beslist, en de beleidsregel van de Minister van 8 juli 2014, nr. 436935 (Stcrt. 2014, 20210), is het Hof ervan uitgegaan dat de Minister heeft afgezien van het voeren van mondeling verweer op de zitting.

3 Tussen partijen vaststaande feiten

Het Hof beschouwt de feiten zoals die onder 3.1 zijn vermeld in de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage met kenmerk BK-09/00739 en verder van 31 juli 2012 als vaststaand.

4 Het verwijzingsarrest

5 Geschil na verwijzing

6 Beoordeling van het geschil

7 Kosten

8 Beslissing