Home

Gerechtshof Amsterdam, 01-08-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3736, 16/00334 en 16/00335

Gerechtshof Amsterdam, 01-08-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3736, 16/00334 en 16/00335

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
1 augustus 2017
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2017:3736
Zaaknummer
16/00334 en 16/00335
Relevante informatie
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a, Algemene wet inzake rijksbelastingen 47, Algemene wet inzake rijksbelastingen 25, Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6, Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 7

Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking is terecht vastgesteld. De strafkamer van het Hof heeft belanghebbende op grond van de voor het strafprocesrecht geldende (bewijs)regels onherroepelijk vrijgesproken van het doen van een onjuiste aangifte. De belastingkamer van het Hof trekt de juistheid van deze beslissing niet in twijfel. In dezen gaat het echter om een andere rechtsvraag dan die waarover de strafkamer zich heeft gebogen: kon de inspecteur, op basis van de voor het fiscale procesrecht geldende regels, zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde inlichtingen en bescheiden voor de belastingheffing van belanghebbende van belang konden zijn? Voorts overweegt het Hof dat een informatiebeschikking niet een strafmaatregel is en evenmin een maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. En hoewel kan worden verdedigd, dat de bewijsrechtelijke relevantie van het feit dat belanghebbende op 31 januari 1994 beschikte over een verzwegen bankrekening met het verstrijken der jaren afneemt, ziet het Hof vooralsnog geen reden om voor de onderhavige jaren anders te oordelen dan het heeft gedaan voor de jaren 2009 en 2010.

Uitspraak

Kenmerken 16/00334 en 16/00335

1 augustus 2017

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.K.A. van Loo),

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken HAA 15/1307 en 15/1308 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

(mr. D.P. Laansma en K.H. Kippersluis).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 8 augustus 2014 met betrekking tot de over de jaren 2011 en 2012 op te leggen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vastgesteld (hierna: de informatiebeschikking).

1.2.

Na tegen de informatiebeschikking door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 2 februari 2015, die beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen voormelde uitspraak op bezwaar beroepen ingesteld. Bij uitspraak van 5 juli 2016 heeft de rechtbank daarop als volgt beslist (in deze uitspraak wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond, en

- stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak te voldoen aan de in de beschikking van 8 augustus 2014 opgenomen verplichtingen.”

1.4.

De door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 12 augustus 2016, aangevuld bij brief van 12 september 2016. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 15 juni 2017 zijn nadere stukken ontvangen van de inspecteur. Op 26 juni 2017 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Voormelde stukken zijn over en weer aan partijen verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Aldaar is verschenen namens belanghebbende zijn gemachtigde voornoemd, tot bijstand vergezeld van mr. R.C.W. van Loo. Van de zijde van de inspecteur zijn verschenen Laansma en Kippersluis voornoemd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser is geboren op [GEBOORTEDATUM] en woonachtig in [Z] op het adres [A-STRAAT 1] .

2. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie van het Koninkrijk België aan de Nederlandse Belastingdienst spontaan inlichtingen verstrekt over rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (hierna ook: KB-Lux). De informatie bevatte circa 20.000 bankrekeningen van circa 10.200 Nederlandse rekeninghouders, van wie een aantal codenamen gebruikte.

Eind 2001 is het Rekeningenproject van start gegaan.

3. Tot de stukken behoren:

- afdrukken van een microfiche, afkomstig van de KB-Lux met de vermelding:

[53-000000-01] TER LDO [VOORNAAM] [X] 1.304.217,85

[52-000000-02] VUE [VOORNAAM] [X] 1.294,99

- een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 6 oktober 2001 van een medewerker van de Belastingdienst FIOD-ECD met de volgende passage:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor:

[VOORNAAM] [X];

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt als enige hit naar voren:

Hr. [VOORLETTER] . [ACHTERNAAM] , sofinr. [...]

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux inclusief sofinummer met RDW-bestand komt de volgende hit naar voren:

[VOORNAAM] [X] .”

4. Uit het zogenoemde Rekeningenproject is naar voren gekomen dat de genoemde microfiches betrekking hebben op bij KB-Lux aangehouden saldi per eind januari 1994.

5. Eiser heeft op 14 februari 2012 aangifte ib/pvv over 2011 gedaan en op 27 maart 2013 aangifte ib/pvv over 2012. Hij heeft in deze aangiftes geen melding gemaakt van in het buitenland aangehouden rekeningen.

6. Op 29 april 2014 heeft verweerder met betrekking tot beide belastingjaren vragen gesteld aan eiser. Eiser heeft als reactie hierop bij brief van 9 mei 2014 aangegeven geen rekening in het buitenland te hebben en daarom de vragen niet te kunnen beantwoorden.

7. Vervolgens heeft verweerder voor beide jaren bij brief van 8 augustus 2014 een informatiebeschikking genomen.

8. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in een procedure betreffende informatiebeschikkingen betreffende de aanslagen ib/pvv voor de jaren 2009 en 2010 bij uitspraak van 28 april 2016 geoordeeld dat de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen (kenmerk 15/00529 en 15/00530). Tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan en voegt daaraan het volgende toe.

2.3.

Tot de stukken van het geding behoren de in één geschrift vervatte uitspraken van het Hof met kenmerken 15/00506 t/m 15/00513 en 15/00520 t/m 15/00528 (ECLI:NL:GHAMS:2016:4149) betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV over de jaren 1991-1993, 1997 en 2000 t/m 2008, alsmede de aanslagen vermogensbelasting over de jaren 1992-1994 en 1998 (hierna kortheidshalve: de uitspraak 15/506). Daarin wordt onder 2.16 het volgende vastgesteld:

“Op 28 februari 2006 heeft de strafkamer van het Hof belanghebbende vrijgesproken van het hem tenlastegelegde opzettelijk doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 1994, 1995, 1996, 1998 en 1999, alsmede de vermogensbelasting 1995, 1996, 1997, 1999 en 2000. In dit arrest heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

“In het dossier bevinden zich twee fotokopieën (…) van – naar het hof begrijpt – weergaven van microfiches die gegevens afkomstig van KB Lux bevatten. Hierop staan – voor zover thans van belang – saldi vermeld die kennelijk op 31 januari 1994 ten name van [VOORNAAM] [X] geboekt waren. Het hof is van oordeel dat aan de hand van deze stukken niet kan worden vastgesteld of enige (mede) door of namens verdachte gedane aangifte voor de inkomstenbelasting (over de jaren 1994 tot en met 1996, alsmede 1998 en 1999) en de vermogensbelasting (over de jaren 1995 tot en met 1997, alsmede 1999 en 2000) onjuist en/of onvolledig is geweest. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken waarop een dergelijke conclusie kan steunen, is het hof van oordeel dat het (…) tenlastegelegde reeds op deze grond niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, (…).”

(…)”

2.4.

Het Hof heeft in de uitspraak 15/506 geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de op de microfiche vermelde rekeninghouder was.

2.5.

Tot de stukken van het geding behoren voorts de in één geschrift vervatte uitspraken van het Hof met kenmerken 15/00529 en 15/00530 (ECLI:NL:GHAMS:2016:4148) betreffende de aan belanghebbende opgelegde informatiebeschikkingen over de jaren 2009 en 2010 (hierna kortheidshalve: de uitspraak 15/529). Het Hof heeft de informatiebeschikkingen in stand gelaten.

2.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken 15/506 en 15/529 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arresten van 20 februari 2017, nrs. (respectievelijk) 16/02978 (ECLI:NL:HR:2017:259) en 16/02973 (ECLI:NL:HR:2017:258), de beroepen in cassatie ongegrond verklaard op grond van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de informatiebeschikking terecht is vastgesteld.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing