Home

Gerechtshof Amsterdam, 20-12-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3699, 21/01740 en 21/01741

Gerechtshof Amsterdam, 20-12-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3699, 21/01740 en 21/01741

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20 december 2022
Datum publicatie
4 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:3699
Formele relaties
Zaaknummer
21/01740 en 21/01741
Relevante informatie
Art. 7:690 BW, Art. 7:691 lid 2 BW, Art. 95 Wfsv, Art. 3.6 Reg Wfsv

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen LH onterecht opgelegd. Berekening premie sectorfonds WW overeenkomstig uitzendovereenkomsten zonder uitzendbeding is juist.

Uitspraak

kenmerken 21/01740 en 21/01741

20 december 2022

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J. van der Voet)

tegen de uitspraak van 15 oktober 2021 in de zaken met kenmerken HAA 20/844 en HAA 20/5378 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

alsmede

de Staat (de Minster van Justitie en Veiligheid).

1 Ontstaan en loop van het geding

kenmerk 21/01740 (HAA 20/844)

1.1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag loonheffingen (LH) opgelegd van € 30.063. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 5.927.

1.1.2.

De inspecteur heeft, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van 29 november 2019 het bezwaar ongegrond verklaard.

kenmerk 21/01741 (HAA 20/5378)

1.2.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag LH opgelegd van € 16.631. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 3.320.

1.2.2.

De inspecteur heeft, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van 31 augustus 2020 het bezwaar ongegrond verklaard.

Beide zaken

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1.2. en 1.2.2. vermelde uitspraken beroepen ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 15 oktober 2021 heeft de rechtbank als volgt op de beroepen beslist:

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling van een immateriële-schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 600;

- veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 400;

- veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) ieder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 374;

- draagt verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht, ieder een bedrag van € 354, aan eiseres te vergoeden.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof

ingekomen op 22 november 2021 en aangevuld bij brief van 20 december 2021. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’):

“1. In de jaren 2018 en 2019 heeft bij eiseres een boekenonderzoek loonheffingen over de jaren 2013 tot en met 2017 plaatsgevonden.

2. Het boekenonderzoek heeft zich beperkt tot het beoordelen van de toepassing van de juiste risicopremiegroep zoals die geldt voor werkgevers die zijn ingedeeld in sector 52.

Het conceptrapport dateert van 30 november 2018. Bij schrijven met dagtekening 30 november 2019 is eiseres geïnformeerd dat er vanwege de verjaringstermijn een naheffingsaanslag loonheffing 2013 zou worden opgelegd. Deze aanslag draagt de dagtekening 13 december 2018.

3. De naheffingsaanslag 2013 is als volgt opgebouwd.

Premies werknemersverzekeringen € 30.063

Boete -

Heffingsrente [Hof: belastingrente] 5.927

Totaal € 35.990.

4. De naheffingsaanslag voor het jaar 2014 is als volgt opgebouwd:

Premies werknemersverzekeringen € 16.631

Boete -

Heffingsrente [Hof: belastingrente] 3.320

Totaal € 19.951.

5. Eiseres heeft zich in de jaren 2013 en 2014 onder andere beziggehouden met payrolling en het detacheren en uitzenden van personeel. In de loop van de jaren zijn de activiteiten en de omzet van eiseres gegroeid, blijkens de toenemende premieloonsom waarover is nageheven (van € 496.687 in 2013 tot € 13.451.097 in 2017). In de eerste jaren heeft de premieloonsom met name betrekking gehad op personeel dat ter beschikking werd gesteld aan bedrijven in de agrarische sector (meer dan 50 percent). Vanaf 2015 is het aandeel van bedrijven in de agrarische sector minder geworden en heeft eiseres voor een groter deel personeel ter beschikking gesteld aan bedrijven uit andere sectoren.

6. Eiseres heeft vrijwel in alle gevallen gebruik gemaakt van uitzendovereenkomsten met als opschrift: “Uitzendovereenkomst” (met vertaling) en “Uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding”. Bij uitzondering is in een enkel geval een uitzendovereenkomst gebruikt met als opschrift “Uitzendovereenkomst met uitzendbeding” (hierna ook: de Uitzendovereenkomst(en)). Eiseres heeft aangegeven dat slechts incidenteel op verzoek van een klant een uitzendovereenkomsten met uitzendbeding is gehanteerd. In de andere gevallen zijn de twee eerstvermelde uitzendovereenkomsten gebruikt. Kopieën van de drie typen uitzendovereenkomsten zijn in kopie als bijlagen bij de verweerschriften opgenomen.

7. In de uitzendovereenkomsten met als opschrift “Uitzendovereenkomst” zijn onder andere de volgende bepalingen opgenomen, soms vergezeld van een vertaling in het Pools dan wel het Engels:

“3. Looptijd

a. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd en wel voor de duur van één kalenderweek. De overeenkomst vangt aan op (datum) en eindigt derhalve van rechtswege na 7 kalenderdagen.

b. Deze uitzendovereenkomst eindigt bovendien na de dag voordat Werknemer instroomt in fase B.

c. Indien Werknemer zonder tegenspraak arbeid blijft verrichten na het einde van deze arbeidsovereenkomst wordt alsdan de onderhavige overeenkomst verlengd onder dezelfde voorwaarden, voor de duur van 7 (zeven) kalenderdagen.

4 De terbeschikkingstelling

a. Het bepaalde in deze uitzendovereenkomst geldt uitsluitend voor zover Werknemer ter beschikking wordt gesteld aan de hierna genoemde opdrachtgever. Zodra Werknemer aan een nieuwe opdrachtgever ter beschikking wordt gesteld, zal een nieuwe uitzendovereenkomst worden opgesteld. De beloning zal eveneens worden gewijzigd indien de inlenersbeloning na 26 gewerkte weken voor dezelfde opdrachtgever wordt toegepast.

b. Werkgever zal Werknemer vanaf (datum) ter beschikking stellen aan de opdrachtgever: Y. teneinde onder diens toezicht en leiding arbeid te verrichten in de functie van: Agrarische medewerker te werken gedurende een nader vast te stellen aantal uren per week, tegen een salaris van € aa bruto per uur (exclusief toeslagen).

c. Deze functie is ingeschaald in functiegroep 1 van de CAO.

d. Aan Werknemer worden geen reiskosten vergoed.

e. Werknemer bouwt per volledig gewerkte werkmaand 16 vakantie uren op, mits 40 uren per week arbeid wordt verricht. Indien minder uren wordt gewerkt worden de vakantie uren naar rato opgebouwd.

f. Wekelijks wordt een vakantietoeslag uitgekeerd van 8% van het feitelijk loon, welke wordt betaald door Werkgever, verminderd met verdiensten uit overwerk.”

8. Eiseres is voor de premies werknemersverzekeringen ingedeeld in sector 52 Uitzendbedrijven. Sector 52 kent verschillende onderdelen (risicopremiegroepen) voor de berekening van de premie sectorfonds ww. Per risicopremiegroep wordt een premiepercentage vastgesteld. De risicopremiegroep die moet worden toegepast is onder andere afhankelijk van de vraag of sprake is van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding.

9. Bij de berekening van de premie sectorfonds ww heeft eiseres het percentage toegepast dat behoort bij de risicopremiegroep voor uitzendovereenkomsten zonder uitzendbeding (IB + IIB). Tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder vastgesteld dat de door eiseres gebruikte uitzendovereenkomsten wel een uitzendbeding bevatten. Voor het verschil in aangegeven en verschuldigde premie over de jaren 2013 en 2014 heeft verweerder de naheffingsaanslagen opgelegd.

10. Verweerder heeft bij de berekening van de door eiseres verschuldigde premie sectorfonds ww op basis van de uitzendovereenkomsten met uitzendbeding als uitgangspunt gekozen de risicopremiegroep die behoort bij uitzendkrachten met technische of overige functies (IIA). In 2013 was deze risicopremiegroep nog verdeeld in kortingsklassen. Voor de berekening van de naheffing is uitgegaan van de kortingsklasse met het laagste premiepercentage. Overeenkomstig tabel 20 bij het Handboek loonheffingen 2013 was dat percentage in 2013 14,20. Overeenkomstig tabel 17 bij het Handboek loonheffingen 2014 was dat percentage in 2014 6,82. Het bedrag van de naheffing is vervolgens berekend zoals weergegeven in de brief van verweerder met dagtekening 30 november 2018 respectievelijk 25 november 2019. Deze luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

“Jaar 2013: premieloon sectorfonds € 496.687, percentage 14,20 verschuldigde premies

€ 70.529, al afgedragen € 40.466, na te heffen premies € 30.063.”

en

“Jaar 2014: premieloon sectorfonds € 822.608, percentage 6,82 verschuldigde premies

€ 56.101, al afgedragen € 39.470, na te heffen premies € 16.631.” “

2.2.

Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.

3 Geschil in hoger beroep

4 Overwegingen van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing